Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
16/3781 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bevordering terecht afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor bevordering. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat uit de prestatie- en potentieelbeoordeling niet blijkt dat appellant naar verwachting geschikt mocht worden geacht om in de volle breedte de functie uit te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3781 AW

Datum uitspraak: 13 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 mei 2016, 15/7154 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/3772 AW, plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Namens appellant is mr. Kromhout verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Allaart en I.T.M. Kalker.

In de gevoegde zaak 16/3772 AW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [functie], bij de voormalige politieregio [regio] , thans de Eenheid [eenheid] .

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op 1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782; circulaire). Eén van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. Het loopbaanbeleid voor bevordering van schaal 7 naar schaal 8 is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd. In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) nadere uitvoeringsuitspraken vastgelegd.

1.3.

Op 28 september 2012 is aan de daarvoor in aanmerking komende medewerkers van de voormalige politieregio [regio] door middel van een bekendmaking op intranet de mogelijkheid geboden zich tot 31 december 2012 te melden met een verzoek om bevordering naar de functie van senior GGP.

1.4.

In 2013 heeft de Ondernemingsraad (OR) binnen de voormalige politieregio [regio] bezwaren geuit ten aanzien van een aantal onderdelen van de procedure. Dit heeft geleid tot hernieuwde openstelling, onder aangepaste voorwaarden, van de procedure. De aanvullende afspraken zijn op 16 oktober 2014 via intranet bekend gemaakt. Op grond hiervan konden medewerkers gedurende de periode 16 oktober 2014 tot en met 13 november 2014 een aanvraag indienen om alsnog te worden bevorderd naar de functie van senior GGP, indien zij onder meer voldeden aan de volgende eisen:

- de medewerker is in het bezit van een prestatie- en/of potentieelbeoordeling die uiterlijk is vastgesteld op 21 december 2012 of waarvan het hele proces van beoordeling is doorlopen

in 2012 en waarbij alleen de bekrachtiging door de beoordelingsautoriteit begin 2013 heeft plaatsgevonden;

- in deze prestatie- en/of potentieelbeoordeling (niet ouder dan 1 november 2008) is voor ieder beoordelingsaspect tenminste het cijfer zeven (7) behaald;

- uit deze prestatie- en/of potentieelbeoordeling blijkt bovendien dat de medewerker in potentie geschikt is voor een volgende loopbaanstap, in het bijzonder senior GGP.

1.5.

Appellant heeft op 4 november 2014 in het kader van de hernieuwde openstelling van het loopbaanbeleid verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP. Daarbij heeft hij een prestatie- en potentieelbeoordeling over de periode van 1 februari 2010 tot 11 mei 2011, bekrachtigd op 11 mei 2011, overgelegd met voor ieder beoordelingsaspect het cijfer

zeven (7) of hoger. Daarin is bij één van de vier ingevulde potentieelinschattingen weergegeven dat appellant in staat is een zwaardere functie van één niveau hoger te vervullen. Bij de andere drie potentieelinschattingen staat dat appellant in staat is om een andersoortige functie op hetzelfde niveau uit te oefenen. De samenvattende potentieelbeoordeling luidt dat appellant binnen nu en één jaar in staat is door te groeien naar een zwaardere functie in hetzelfde loopbaantraject, groeirichting “specialistisch”.

1.6.

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de korpschef het verzoek om bevordering afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor bevordering, nu er op korte termijn nog geen sprake is van potentiële geschiktheid voor de functie van senior GGP.

1.7.

Bij besluit van 2 september 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 maart 2015 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant nog niet potentieel geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP. Er is bij slechts één van de vier potentieelinschattingen vermeld dat appellant in staat is om een zwaardere functie te vervullen; bij de overige drie staat vermeld dat hij in staat is om een andersoortige functie op hetzelfde niveau uit te oefenen. De conclusie in de samenvattende potentieelbeoordeling dat appellant binnen nu en één jaar kan doorgroeien naar een zwaardere functie binnen hetzelfde loopbaantraject, wordt dan ook niet gedragen door de inhoud van de beoordeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uiterlijk op 31 december 2012, de laatste dag waarop het loopbaanbeleid van kracht was, de verwachting moest bestaan dat appellant geschikt was voor de functie van senior GGP. In de beoordeling zijn onvoldoende aanwijzingen te vinden dat appellant over de competenties voor de functie van senior GGP beschikt. De door appellant overgelegde verklaring van de beoordelaar van 15 juni 2015 is gegeven ruim vier jaar nadat de beoordeling is bekrachtigd en kan in het licht van het in de prestatie- en potentieelbeoordeling opgenomen oordeel over appellants functioneren niet doorslaggevend zijn.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat uit de prestatie- en potentieelbeoordeling van 11 mei 2011 niet blijkt dat appellant naar verwachting geschikt mocht worden geacht om in de volle breedte de functie van senior GGP uit te voeren. Dat wordt niet anders doordat in de samenvattende potentieelbeoordeling is aangevinkt dat appellant “binnen nu en één jaar kan doorgroeien naar een zwaardere functie binnen hetzelfde loopbaantraject”. In dat verband acht de Raad van belang dat, zoals ter zitting van de Raad door de korpschef is bevestigd, met “binnen hetzelfde loopbaantraject” wordt bedoeld binnen de opsporing en niet binnen de GGP. Appellant vertoonde met name groei op specialistisch niveau binnen de opsporing (verkeer), zo staat vermeld in de samenvattende potentieelbeoordeling. Dat is niet op één lijn te stellen met groei op het terrein van de GGP. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 27 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4116). De korpschef heeft er voorts niet ten onrechte op gewezen dat de samenvattende potentieelbeoordeling positief afsteekt bij de vier deelinschattingen, waarvan er slechts één eenzelfde strekking heeft.

3.2.

De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat aan de verklaring van de beoordelaar van 15 juni 2015 niet die betekenis kan worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien. Doorslaggevend moet worden geacht wat de beoordelaar direct aansluitend aan de periode waarop de beoordeling ziet heeft opgemerkt, en niet wat hij vier jaar later, met het oog op een mogelijke bevordering van appellant, naar voren heeft gebracht.

3.3.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J. Tuit

LO