Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
17/2959 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag. Geen belemmeringen bij onderbouwing van appellantes standpunt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat Vreeburg haar conclusies inzichtelijk en gemotiveerd heeft onderbouwd en dat uit de door appellante overgelegde stukken niet blijkt dat zij de ontoelaatbaarheid van haar gedrag niet heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/67
AB 2018/83 met annotatie van A.C. Hendriks
TAR 2018/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2959 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 maart 2017, 16/6074 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 25 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.H.S.P. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. S.J. Hauser, advocaat, een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hauser,

mr. E. van Tellingen en Y. van de Pol.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 16 mei 2009 werkzaam bij de gemeente [gemeente] , laatstelijk in de functie van [functie] (schaal 7) bij de afdeling [afdeling] .

1.2.

Naar aanleiding van een melding over vermoedens van integriteitsschendingen heeft het Bureau Integriteit (BI) een onderzoek verricht. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 oktober 2015 (BI-rapport).

1.3.

Bij e-mail van 26 november 2015 heeft [X] , de leidinggevende van appellante, haar uitgenodigd voor een gesprek over een medisch onderzoek door een andere arts dan de bedrijfsarts. De bedoeling is dat die arts medisch psychologisch onderzoek uitvoert en op basis daarvan rapporteert over de toerekenbaarheid van het gedrag van appellante. In antwoord hierop heeft appellante [X] verzocht het medisch onderzoek plaats te laten vinden zonder dat daaraan voorafgaand een gesprek plaatsvindt. Bij e-mail van 1 december 2015 heeft [X] appellante laten weten dat zij op korte termijn wordt benaderd door een medewerker van Psyon voor het maken van een afspraak voor een eerste gesprek.

1.4.

Op 28 januari 2016 heeft Psyon het college bericht dat het rapport is afgerond, maar dat appellante gebruik heeft gemaakt van haar blokkeringsrecht. Daardoor zijn de inhoud van het rapport en het antwoord van de psychiater van Psyon op de vraag of appellante toerekenbaar heeft gehandeld op dat moment niet aan het college bekendgemaakt.

1.5.

Bij brief van 24 februari 2016 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt appellante onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen met toepassing van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nieuwe rechtspositieregeling gemeente Amsterdam (NRGA).

1.6.

Nadat appellante over het voorgenomen ontslag haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college haar in de gelegenheid gesteld om in overleg met Psyon de verkorte versie van de rapportage zodanig te ontdoen van medische en vertrouwelijke informatie, dat zij kan instemmen met het ter beschikking stellen van de rapportage aan het college.

1.7.

Op 22 april 2016 heeft Psyon, met toestemming van appellante, alsnog een verkorte rapportage aan het college ter beschikking gesteld. Het onderzoek is verricht door psychiater dr. S.A. Vreeburg (Vreeburg) en is gebaseerd op bestudering van de opdracht van

10 december 2015, het BI-rapport van 6 oktober 2015, de afsluitbrief van 11 januari 2016 van de behandelend GZ-psycholoog dr. A. Muntingh en een psychiatrisch onderzoek, uitgevoerd in twee gesprekken met appellante. In de rapportage wordt kort gezegd geconcludeerd dat er geen overtuigende aanwijzingen zijn dat appellante over de jaren waarin de feiten speelden, psychiatrische symptomen had die redelijkerwijs zodanig doorgewerkt zouden kunnen hebben dat die haar wilsvrijheid tot handelen bij herhaling aangetast hebben.

1.8.

Bij besluit van 20 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college appellante met ingang van 20 mei 2016 onvoorwaardelijk strafontslag verleend met toepassing van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de NRGA. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante niet-zakelijke raadplegingen heeft verricht in het geautomatiseerde systeem GBA en dat zij zonder medeweten van haar leidinggevende en zonder voorafgaande toestemming (extern) stage heeft gelopen tijdens haar ziekteperiode. Uit de beperkte verslaglegging van de rapportage van Psyon blijkt dat appellante ten tijde van de verweten gedragingen besef van handelen heeft gehad. Het college is niet gebleken dat de verweten gedragingen appellante niet zijn toe te rekenen.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld. Bij brief van 18 januari 2017 heeft appellante diverse medische stukken overgelegd.

2.2.

Bij beslissing van 26 januari 2017 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:32,

tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de kennisneming van een gedeelte van de door appellante ingezonden medische stukken niet wordt toegestaan aan het college, maar uitsluitend aan een gemachtigde van het college die arts of advocaat is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft betoogd dat de haar verweten gedragingen haar niet (volledig) zijn aan te rekenen. Zij heeft voorts met een beroep op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec), van 17 november 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1117DEC002627512, Spycher) en van 3 mei 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:0503JUD000718311, Letinčić) betoogd dat de rechtbank het beginsel van de equality of arms heeft miskend door niet over te gaan tot benoeming van een deskundige.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Naar aanleiding van onder meer de door appellante genoemde arresten van het EHRM in de zaken Korošec, Spycher en Letinčić hebben de Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraken van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226 en ECLI:NL:RVS:2017:1674) de uitgangspunten voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door onderscheidenlijk verzekeringsartsen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en BMA-artsen nader gepreciseerd. Met inachtneming van de door artikel 8:69 van de Awb getrokken grenzen, wordt die toetsing bepaald door de gronden die een betrokkene aanvoert tegen de medische onderbouwing van de besluitvorming en de in dat verband overgelegde stukken. De beoordeling door de bestuursrechter geschiedt in drie stappen, waarbij stap 1 betrekking heeft

op de zorgvuldigheid van de besluitvorming, stap 2 op de equality of arms en stap 3 op de inhoudelijke beoordeling.

4.2.

De onder 4.1 bedoelde beoordeling in drie stappen is ook van toepassing in het onderhavige geval, waarin Psyon in opdracht en ten behoeve van de besluitvorming van het college zijn medisch oordeel heeft gegeven over de toerekenbaarheid van de aan appellante verweten gedragingen en appellante gronden aanvoert tegen deze medische beoordeling.

4.3.Vreeburg heeft een zorgvuldig onderzoek verricht naar de psychische klachten van appellante ten tijde van de verweten gedragingen. Zij heeft appellante tijdens twee gesprekken psychiatrisch onderzocht en informatie van de behandelend sector ter beschikking gehad. De conclusies van Vreeburg zijn goed gemotiveerd en inzichtelijk. Het college heeft zich bij de besluitvorming dan ook mogen baseren op dit onderzoek.

4.4.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat sprake zou zijn van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij heeft ook niet onderbouwd waarom hiervan sprake zou zijn. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat de haar verweten gedragingen haar niet zouden kunnen worden toegerekend. Appellante heeft immers in de procedure bij de rechtbank gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen. In hoger beroep heeft zij ook naar deze stukken verwezen. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter gehouden zou zijn een medisch deskundige te benoemen in een situatie als deze, waar appellante informatie heeft ingebracht van haar behandelaars en de bedrijfsarts waarin haar gezondheidssituatie is beschreven, zodat deze door de bestuursrechter kan worden getoetst.

4.5.

Het standpunt van appellante dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld de conceptversie van het rapport van Psyon te voorzien van commentaar en ook geen inzage heeft gehad in de aan het rapport ten grondslag liggende stukken, berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Appellante beschikte immers ook zelf over de aan het rapport ten grondslag liggende stukken. Verder is de verkorte versie van de rapportage van Psyon die aan het college ter beschikking is gesteld, in overleg met appellante aangepast.

4.6.

De vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat Vreeburg haar conclusies inzichtelijk en gemotiveerd heeft onderbouwd en dat uit de door appellante overgelegde stukken niet blijkt dat zij de ontoelaatbaarheid van haar gedrag niet heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

4.7.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A. Mansourova

HD