Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
17/2877 PW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Hoofdverblijf buiten de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2877 PW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

24 februari 2017, 16/2316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.L.M. Clerx, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door Clerx. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 7 juni 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellante stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, nu basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante al lang niet meer op het uitkeringsadres woont, heeft een sociaal rechercheur van de gemeente [gemeente] een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht, zijn bankafschriften opgevraagd, heeft de inmiddels ex-vriend van appellante, [A.] ([A.]), een verklaring afgelegd, zijn waarnemingen verricht, heeft op 11 februari 2016 een gesprek met appellante plaatsgevonden en heeft aansluitend een huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 22 februari 2016.

1.3.

Bij besluit van 8 december 2015 heeft het college de bijstand met ingang van 7 december 2015 opgeschort.

1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 februari 2016, voor zover hier van belang en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2015 in te trekken en de over de periode van 1 december 2015 tot en met 6 december 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 225,69 van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij met ingang van 1 december 2015 haar hoofdverblijf buiten de gemeente [gemeente] had. Als gevolg daarvan heeft het college appellante over de periode 1 december 2015 tot en met 6 december 2015 ten onrechte bijstand verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Ingevolge artikel 40 van de PW bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende zijn woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937), is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40 van de PW dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

Anders dan appellante stelt, bieden de stukken voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante met ingang van 1 december 2015 niet langer haar hoofdverblijf in [gemeente] had. Appellante heeft op 11 februari 2016 verklaard dat al haar slaapkamermeubels eind oktober, begin november 2015 naar de woning van [A.] in [plaatsnaam] zijn gebracht omdat zij in België wilde gaan samenwonen. [A.] heeft op

17 december 2015 gemeld dat appellante op 16 december 2015 was bevallen en dat zij twee tot drie weken voor de bevalling al bij hem verbleef. Die verklaring vindt steun in de waarnemingen zoals die vanaf 5 december 2015 zijn verricht. Na de bevalling en de daarop volgende opname in het ziekenhuis is appellante weer teruggekeerd naar de woning van [A.]. Ter zitting heeft appellante weliswaar verklaard dat zij, in de periode dat haar dochter in het ziekenhuis lag, veelvuldig naar [gemeente] is gegaan om haar dochter in het ziekenhuis te bezoeken en dan ook wel een nacht in [gemeente] bleef slapen, maar zij werd dan door [A.] of zijn vader naar het ziekenhuis in [gemeente] gebracht. De plek vanwaar zij vertrok en weer terugkeerde was de woning van [A.]. Dit vindt ook steun in de bevindingen tijdens het huisbezoek. Tijdens het huisbezoek in de woning op het uitkeringsadres op 11 februari 2016 bleek dat in de woning geen kleding, verzorgingsproducten en administratie van appellante aanwezig waren. Appellante heeft de bevindingen van het huisbezoek op dit punt ter zitting weersproken. De Raad ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen zoals die in het verslag zijn neergelegd en voor het eerst ter zitting zijn betwist. Tijdens het huisbezoek heeft appellante immers verklaard dat zich in haar woning geen slaapkamerinrichting, geen babykamerinrichting, geen babyverzorgingsspullen, in het geheel geen eigen kleding en ook geen administratie bevond. Al die spullen bevonden zich vanaf december 2015 in de woning van [A.]. Appellante heeft ook verklaard dat in haar woning nooit een babykamer is geweest en dat dit ook nimmer de bedoeling is geweest omdat zij in [plaatsnaam] samen wilde wonen. Anders dan appellante aanvoert, biedt dit geheel van feiten en omstandigheden voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van het college dat appellante met ingang van 1 december 2015 niet langer haar hoofdverblijf in [gemeente] had. Van een tijdelijk verblijf bij [A.] was geen sprake. Dat hierbij tevens een rol speelde dat appellante na de bevalling op 16 december 2015 in verband met haar psychische problemen niet alleen kon zijn en [A.] haar opving maakt een en ander niet anders. De reden waarom appellante niet langer haar hoofdverblijf had in [gemeente] is voor het recht op bijstand niet van belang.

4.4.

Appellante heeft verder aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering. In dit verband heeft appellante gesteld dat zij door het stopzetten van de bijstand in financiële problemen is gekomen waardoor zij haar kind heeft moeten achterlaten. Appellante is afhankelijk geworden van [A.].

4.5.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken (uitspraak van 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3834). Appellante is hierin niet geslaagd. Niet gebleken is dat appellante als gevolg van de terugvordering in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen. De door appellante genoemde feiten en omstandigheden zijn het gevolg van de intrekking van de bijstand.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) C.A.E. Bon

rh