Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2767

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
16/8019 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Overtolligheidsontslag. Op grond van BWDEF is aan betrokkenen een bovenwettelijke uitkering toegekend en daarbij bepaald dat die eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd wegens verboden onderscheid naar leeftijd en zelf in de zaken voorzien. Door de rechtbank is ten onrechte zelf voorzien omdat appellant een zekere mate van vrijheid heeft in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. De Raad ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. Hiertoe is redengevend dat betrokkene de staatssecretaris desgevraagd geen toestemming heeft verleend om een individueel inkomensoverzicht te laten opstellen om hiermee alsnog duidelijkheid te verschaffen over de hiervoor bedoelde financiële gevolgen en dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem, anders dan in de andere door de Raad beoordeelde zaken waarin wel individuele inkomensoverzichten beschikbaar waren, wel sprake is van een excessieve inbreuk op zijn gerechtvaardigde aanspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/442
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 8019 AW, 17/494 AW, 17/5063 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
17 november 2016, 16/77 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 6 september 2018

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Namens de staatssecretaris heeft mr. R. van Arkel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de staatssecretaris op 23 december 2016 een nader besluit genomen. Op 13 juli 2017 heeft de staatssecretaris een aanvullend besluit genomen.

Namens betrokkene heeft mr. W.E. Louwerse een verweerschrift ingediend en op de besluiten van 23 december 2016 en 13 juli 2017 gereageerd.

Bij brief van 8 augustus 2018 heeft de staatssecretaris de Raad bericht dat van betrokkene geen toestemming is verkregen om een individueel inkomensoverzicht op te stellen en dus geen individueel inkomensoverzicht aan de Raad kan worden toegezonden.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was als burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hem is met ingang van 1 juni 2015 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) en het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016. De staatssecretaris heeft aan betrokkene op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie (BWDEF) een bovenwettelijke uitkering toegekend en daarbij bepaald dat deze eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt (toekenningsbesluit). Bij besluit van 3 december 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het toekenningsbesluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens verboden onderscheid naar leeftijd vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

3.1.

Bij het besluit van 23 december 2016 heeft de staatssecretaris, met handhaving van de beëindigingsdatum van de bovenwettelijke uitkering, aan betrokkene voor de periode vanaf de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering tot hij de AOW-leeftijd heeft bereikt, in aanvulling op de tegemoetkoming waarop betrokkene recht heeft op grond van de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging

AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772 (Voorlopige voorziening), een maandelijkse bruto uitkering toegekend die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Daarnaast is aan betrokkene voor diezelfde periode een compensatie (bruto) toegekend in verband met het feit dat hij (mogelijk) zijn ouderdomspensioen vervroegd laat ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (compensatie).

3.2.

Bij besluit van 13 juli 2017 heeft de staatssecretaris het besluit van 23 december 2016 aangevuld. Indien in de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie, vermeerderd met het (vervroegd ingegane) ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene (aanvullende maatregel).

4. Nu met het besluit van 23 december 2016, zoals aangevuld bij besluit van 13 juli 2017, niet geheel aan de bezwaren van betrokkene is tegemoet gekomen, zal de Raad, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, die besluiten mede in zijn beoordeling betrekken.

De aangevallen uitspraak

5.1.

De staatssecretaris betwist niet langer dat de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkenen een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de bepaling van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF en artikel 122 van het Bard niet is aangepast aan de verhoging van de leeftijdsgrens in de Algemene ouderdomswet, van onvoldoende besef getuigt van de onmiskenbare bedoeling van de regeling. De rechtbank is op grond daarvan tot het oordeel gekomen dat artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF in verbinding met artikel 122 van het Bard, buiten toepassing dient te blijven. De staatssecretaris heeft er in dit verband op gewezen dat uit artikel 1 van het BWDEF volgt dat onder pensioengerechtigde leeftijd de leeftijd als bedoeld in artikel 122 van het Bard wordt verstaan. Deze beroepsgrond slaagt. Voor de einddatum van de uitkering bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF is immers uitdrukkelijk aangesloten bij de in artikel 122 van het Bard genoemde leeftijd van 65 jaar. Verder heeft de staatssecretaris vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan de staatssecretaris om het geconstateerde gebrek - het verboden onderscheid naar leeftijd - op een rechtens houdbare wijze te herstellen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat dit niet mogelijk is zonder artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF ten aanzien van de einddatum van de bovenwettelijke uitkering buiten toepassing te laten, is dat oordeel onjuist. Hiertoe wordt, kortheidshalve, verwezen naar wat hierover is overwogen in de uitspraak van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:526.

5.2.

Uit 5.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF in verbinding met artikel 122 van het Bard buiten toepassing dient te blijven.

De besluiten van 23 december 2016 en 13 juli 2017

5.3.

Betrokkene heeft betoogd dat ook met de besluiten van 23 december 2016 en 13 juli 2017 nog steeds sprake is van verboden onderscheid naar leeftijd. De Raad verwijst voor een beoordeling van het betoog over leeftijdsdiscriminatie allereerst naar de overwegingen hierover in de uitspraken van 22 februari 2018 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2018:527). De Raad oordeelt verder dat het besluit van 23 december 2016, zoals aangevuld bij besluit van 13 juli 2017, in zoverre niet draagkrachtig is gemotiveerd dat daaruit onvoldoende concreet blijkt wat de financiële gevolgen van de in dat besluit getroffen voorzieningen voor betrokkene, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn. Dit betekent dat deze besluiten voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. Hiertoe is redengevend dat betrokkene de staatssecretaris desgevraagd geen toestemming heeft verleend om een individueel inkomensoverzicht te laten opstellen om hiermee alsnog duidelijkheid te verschaffen over de hiervoor bedoelde financiële gevolgen en dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem, anders dan in de andere door de Raad beoordeelde zaken waarin wel individuele inkomensoverzichten beschikbaar waren, wel sprake is van een excessieve inbreuk op zijn gerechtvaardigde aanspraak.

5.4.

Gelet op het onder 5.3 genoemde motiveringsgebrek bestaat aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 250,50 (0,5 punt voor de reactie op de nadere besluiten, € 501,- per punt).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF in verbinding met artikel 122 van het Bard buiten toepassing dient te blijven;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2016, zoals aangevuld bij besluit van 13 juli 2017, gegrond en vernietigt deze besluiten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
    € 250,50.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) P.W.J. Hospel

SSa