Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
16/1276 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering ten onrechte herzien naar de norm van thuiswonende studerende en teruggevorderd. De bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van betrokkene zijn onbevoegd verkregen en het van dat onderzoek opgemaakte rapport kan niet als bewijs worden toegelaten. De reisgegevens bieden geen voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat betrokkene ten tijde hier van belang niet woonde op haar brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1276 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2016, 15/4535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 5 september 2018

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. H.M.E. Hoekstra, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2016. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Hoekstra. Als getuige is gehoord [naam moeder] , woonachtig te [woonplaats] , moeder van betrokkene.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene staat vanaf 19 april 2012 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [brp-adres 1] te [woonplaats] (brp-adres). De moeder van betrokkene staat ingeschreven in de brp onder het adres [brp-adres 2] te [woonplaats] .

1.2.

Betrokkene heeft, voor zover hier van belang, voor de periode mei 2012 tot en met december 2012 en voor de jaren 2013 en 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.3.

Twee controleurs hebben in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de verstrekking aan betrokkene van deze studiefinanciering. Daartoe is op 30 december 2014 een onderzoek verricht naar de woonsituatie van betrokkene. Van de bevindingen van dat onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.4.

Bij besluit van 16 januari 2015 heeft de minister op basis van de bevindingen van het onder 1.3 vermelde onderzoek de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van 1 mei 2012 herzien, in die zin dat betrokkene vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Een bedrag van € 6.261,56 is daarbij van haar teruggevorderd. Voorts heeft de minister bij besluit van 18 februari 2015 een bestuurlijke boete van € 3.130,78 aan betrokkene opgelegd. Betrokkene heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 12 juni 2015 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de besluiten van 16 januari 2015 en 18 februari 2015 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de bevindingen van het onderzoek onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat betrokkene op het moment van het onderzoek niet op haar brp‑adres woonde.

3. De minister heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak bestreden. Daarbij heeft hij als aanvullend bewijs reisgegevens van betrokkene over de periode van 26 augustus 2014 tot en met 30 december 2014 overgelegd. Uit de reisgegevens heeft de minister afgeleid dat betrokkene in deze periode dagelijks gebruik heeft gemaakt van haltes die in de buurt liggen van het brp‑adres van haar moeder en nagenoeg geen gebruik heeft gemaakt van haltes die in de buurt liggen van haar eigen brp‑adres. Volgens de minister leiden deze gegevens tot de conclusie dat betrokkene niet op haar brp‑adres woonde.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat de bevindingen van het onderzoek op 30 december 2014 naar de woonsituatie van betrokkene onbevoegd zijn verkregen en het van dat onderzoek opgemaakte rapport niet als bewijs kan worden toegelaten. Dit betekent dat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de in hoger beroep overgelegde reisgegevens als bewijs toelaatbaar zijn en of daarmee het standpunt van de minister dat betrokkene ten tijde hier van belang niet woonde op haar brp‑adres voldoende is onderbouwd.

4.2.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 5 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:269, kunnen reisgegevens in beginsel aan een herzienings- dan wel boetebesluit ten grondslag worden gelegd, maar als enig bewijs zullen deze gegevens, behoudens bijzondere omstandigheden, niet voldoende zijn voor de minister om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Dit uitgangspunt betekent dat alleen een analyse van reisgegevens slechts in bijzondere gevallen een toereikende feitelijke grondslag zal bieden voor het standpunt van de minister dat een studerende niet woont op zijn brp‑adres. Van zo’n bijzonder geval is hier, mede gelet op de door betrokkene gegeven verklaring voor haar reisgedrag, geen sprake.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de reisgegevens geen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat betrokkene ten tijde hier van belang niet woonde op haar brp-adres. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat van de minister een griffierecht wordt geheven van € 503,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) De griffier is verhinderd te ondertekenen

NW