Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2765

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
18/4478 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening. Dienstautobeleid: Politieambtenaren werkzaam bij de hondengeleiding komen ingevolge de nieuwe normen niet in aanmerking voor een dienstauto voor het woon-werkverkeer. Inleveren dienstauto's met ingang van 1 januari 2018. Omdat verzoekers het woon-werkverkeer kunnen doen met hun privéauto in samenhang met de voorziening die geboden wordt in de vorm van een aanhangwagen of een transportkooi hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het voorlopige behoud van de dienstauto’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4478 AW-VV, 18/4479 AW-VV, 18/4480 AW-VV

Datum uitspraak: 6 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster 1] te [woonplaats 1] (verzoeker 1),
[verzoekster] te [woonplaats 2] (verzoekster) en
[verzoeker 2] te [woonplaats 2] (verzoeker 2),
(tezamen verzoekers)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank [eenheid] van 14 maart 2018, 18/438 (aangevallen uitspraak).

Mr. De Klein heeft namens verzoekers tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Verzoeker 2 is verschenen, bijgestaan door mr. De Klein, die ook verzoekster en verzoeker 1 vertegenwoordigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Wensen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoekers zijn politieambtenaren in de eenheid [eenheid]/district [district]. Hun werkterrein is de hondengeleiding, wat de permanente verantwoordelijkheid voor de verzorging van hun diensthond meebrengt. De diensthond moet per auto naar het werk vervoerd worden. Voor het woon-werkverkeer beschikken verzoekers, die aanvankelijk werkzaam waren in de politieregio [regio], op grond van de Uitvoeringsregeling Diensthonden Politie [regio] van 23 januari 2007 over een dienstauto.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2010 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Regeling voorzieningen hondengeleiders politie (Regeling) ingevoerd. De regeling kent een overgangstermijn van maximaal zes jaar voor nader aangewezen gevallen. In de Regeling is niet vermeld dat hondengeleiders recht hebben op een dienstauto voor het woon-werkverkeer. Verzoekers hebben hun dienstauto’s mogen behouden. Per

1 juli 2014 heeft de korpschef nieuw dienstautobeleid ingevoerd, waarbij de

terbeschikkingstelling van dienstauto’s aan individuele politieambtenaren voor permanent gebruik sterk beperkt is. Politieambtenaren werkzaam bij de hondengeleiding komen ingevolge de nieuwe normen niet in aanmerking voor een dienstauto voor het woon-werkverkeer. Medio 2016 is de overgangsregeling voor het zakelijk gebruik van dienstauto’s gepubliceerd. Er is in de eenheid [eenheid] nog een vergeefse poging gedaan om alle daar werkzame politieambtenaren in de hondengeleiding een dienstauto ‘op de man’ ter beschikking te stellen. Aan verzoekers is in 2016 kenbaar gemaakt dat zij op termijn hun dienstauto’s moesten inleveren. Ingevolge de Regeling krijgen politieambtenaren ten behoeve van het woon-werkverkeer van hun diensthond naar keuze de beschikking over een aanhangwagen die achter hun privéauto gekoppeld moet worden, dan wel over een transportkooi die in de privéauto geplaatst wordt.

1.3.

Per e-mailbericht van 23 oktober 2017 is aan verzoekers kenbaar gemaakt dat [adres] in [woonplaats 1] per 1 januari 2018 de opkomstlocatie in district [district] wordt. Aan dit bericht ontleenden verzoekers dat zij hun dienstauto’s dan moesten inleveren. Vanwege het namens verzoekers daartegen gemaakte bezwaar is de verplichte inlevering van de dienstauto’s uitgesteld tot na de beslissing op hun bezwaar. Bij besluit van 30 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank [eenheid] heeft bij uitspraak van

13 maart 2018,18/436, het bestreden besluit en het besluit van 23 oktober 2017 geschorst tot twee weken na de datum van de uitspraak op het beroep tegen het bestreden besluit (18/438).

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekers tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet evenals de korpschef in artikel 8 van de Regeling geen recht op een dienstauto voor het woon-werkverkeer voor politieambtenaren in de hondengeleiding. Zij ziet in artikel 27 van de Politiewet 2012 een voldoende wettelijke grondslag voor de beëindiging van het gebruik van de dienstauto’s door verzoekers. De rechtbank is verzoekers niet gevolgd in hun standpunt dat het woon-werkverkeer met medeneming van de diensthond als arbeidsplaats moet worden aangemerkt en evenmin dat de diensthond tijdens het woon-werkverkeer als een arbeidsmiddel geldt. De reistijd van het woon-werkverkeer is volgens de rechtbank geen diensttijd. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het verplichte gebruik van de privéauto voor het transport van de diensthond naar en van het werk geen schending oplevert van het recht op eigendom als bedoeld in

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten

van de mens en de fundamentele vrijheden en evenmin strijd oplevert met artikel 8 van dit verdrag.

2.2.

Door deze uitspraak eindigt de schorsing van het bestreden besluit en het besluit van

23 oktober 2017 met ingang van 29 augustus 2018.

3. Verzoekers hebben als voorlopige voorziening verzocht de aangevallen uitspraak te schorsen evenals het bestreden besluit en het besluit van 23 oktober 2017 met als einddatum zes weken nadat de Raad op het hoger beroep van verzoekers heeft beslist.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Verzoekers beogen met de gevraagde schorsing dat zij in afwachting van de uitspraak

van de Raad op hun hoger beroep de beschikking behouden over hun dienstauto voor het woon-werkverkeer. De korpschef heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat verzoekers, die tot heden hebben nagelaten een keuze te maken tussen de verstrekking van een aanhangwagen en de plaatsing van een transportkooi in de auto, nog de gelegenheid krijgen om die keuze te maken. In afwachting van de binnen korte tijd te realiseren voorzieningen mogen verzoekers hun dienstauto’s houden. Daarna moeten zij deze inleveren.

4.3.

De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog met partijen van uit, dat in het e-mailbericht van 23 oktober 2017 een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb besloten ligt inhoudende de opdracht om de dienstauto’s op 1 januari 2018 in te leveren. De beoordeling daarvan vergt een afweging die in de bodemprocedure zal geschieden.

4.4.

Voor de aanwezigheid van een spoedeisend belang voor elk van de verzoekers bij het behoud van de dienstauto’s totdat op hun hoger beroep is beslist is in een geval als hier nodig dat zij een groot en onherstelbaar nadeel oplopen dan wel onaanvaardbaar ingrijpende beslissingen zouden moeten nemen, doordat ze niet meer over een dienstauto beschikken. De voorzieningenrechter neemt tot uitgangspunt dat verzoekers werkzaam moeten kunnen blijven in de hondengeleiding en dat hun diensthond per auto vervoerd wordt naar en van het werk.

4.5.

Verzoekers menen dat hun privéauto niet gebruikt kan worden voor hun woon-werkverkeer. Zij menen ook dat een aanhangwagen door hun woonsituatie niet bruikbaar is. De aanschaf van een tweede auto is voor hen financieel niet haalbaar.

4.5.1.

Verzoeker 1 en 2 menen dat het niet mogelijk is om hun privéauto’s voor hun woon-werkverkeer te gebruiken, omdat die auto’s door hun partners gebruikt worden voor hun woon-werkverkeer. De voorzieningenrechter volgt hen daar niet in. Verzoekers 1 en 2 hebben niet duidelijk gemaakt dat en waarom hun partners de privéauto voor dat woon-werkverkeer nodig hebben. Daarom kan niet voetstoots worden aangenomen dat verzoekers 1 en 2 deze auto niet kunnen gaan gebruiken voor hun woon-werkverkeer. De voor verzoekers 1 en 2 het minst ingrijpende oplossing is dan het plaatsen van een aanhangwagen achter hun privéauto. Dat een aanhangwagen niet bij de woonhuizen van verzoeker 1 en 2 geparkeerd kan worden is niet aannemelijk, omdat er nu ook ruimte is voor het parkeren van de privéauto en de dienstauto. Of een aanhangwagen ook bij hun huizen geparkeerd kan worden als verzoeker 1 en 2 een tweede privéauto zouden hebben is nu niet van belang. Verzoekers hebben overigens de onmogelijkheid daarvan wel gesteld maar niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt.

4.5.2.

Verzoeker 2 heeft nog aangevoerd dat zijn auto niet geschikt is voor het woon-werkverkeer omdat de rijkosten door de zware motor van zijn auto erg hoog zijn. Omdat het gebruik van de privéauto tot de uitspraak van de Raad in de bodemprocedure een beperkte periode betreft merkt de voorzieningenrechter de - niet inzichtelijk gemaakte - hoge rijkosten niet aan als een groot nadeel, dat het gebruik van de privéauto voor het woon-werkverkeer tot een onaanvaardbare oplossing maakt. Niet onbelangrijk is daarbij dat voor het woon-werkverkeer een kilometervergoeding van € 0,28 geldt. De voorzieningenrechter kan er ook niet aan voorbijzien dat verzoeker 2 al tenminste vanaf 2016 weet of kan weten, dat er een einde komt aan de permanente beschikbaarheid van een dienstauto voor hondengeleiders.

4.5.3.

Verzoekster gebruikt haar privéauto uitsluitend voor het vervoer van een paardentrailer. De kosten van het woon-werkverkeer zouden te hoog worden als zij haar privéauto voor dat verkeer zou gebruiken. Voor verzoekster, die geen inzicht heeft gegeven in de hoogte van die kosten, geldt hetzelfde als onder 4.5.2 is overwogen. Het plaatsen van een aanhangwagen bij het huis van verzoekster kan geen beletsel vormen voor het gebruik van haar privéauto voor het woon-werkverkeer, omdat er ook bij haar huis kennelijk plaats is voor het parkeren van twee auto’s.

4.5.4.

Voor zover de verzekering van de privéauto’s enigszins duurder zou worden door het gebruik van de privéauto’s voor het woon-werkverkeer met de diensthond, ziet de voorzieningenrechter ook hierin geen groot nadeel dat dat gebruik hangende het hoger beroep tot een onaanvaardbare oplossing maakt.

4.6.

Omdat verzoekers het woon-werkverkeer kunnen doen met hun privéauto in samenhang met de voorziening die geboden wordt in de vorm van een aanhangwagen of een transportkooi hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het voorlopige behoud van de dienstauto’s. Er is dus geen reden om voor verzoekers een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Smolders

rh