Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
16/2691 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2691 WIA

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

22 maart 2016, 14/6158 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Tracey, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk gewerkt als softwareontwikkelaar voor 39,77 uur per week. Op 14 januari 2011 heeft hij zich ziek gemeld na een epileptische aanval als gevolg van een hersenontsteking. Op 18 april 2013 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na afloop van de voorgeschreven wachttijd, die wegens een aan de werkgever opgelegde loonsanctie is verlengd, heeft appellant op 9 januari 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Op verzoek van de verzekeringsarts heeft registerpsycholoog W.A. Bultsma van Ascender op 28 januari 2014 bij appellant een neuropsychologisch onderzoek afgenomen. Op 4 maart 2014 heeft appellant opnieuw het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant per 9 januari 2014 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft daarna op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellant met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat appellant met ingang van 10 januari 2014 geen recht heeft op een WIA‑uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 september 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 september 2014 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat de verzekeringsartsen de medische klachten en problemen van appellant uitgebreid bij de beoordeling en de vaststelling van de beperkingen hebben betrokken en dat zij, rekening houdend met de voorhanden zijnde informatie uit het neuropsychologisch onderzoek, op een voldoende gemotiveerde manier beperkingen ten aanzien van de klachten van appellant in de FML hebben opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld geen aanknopingspunten te hebben voor de conclusie dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Wat betreft de geclaimde urenbeperking heeft de rechtbank overwogen dat voor een urenbeperking pas aanleiding is als met het stellen van beperkingen op andere onderdelen van de FML niet op voldoende wijze aan de door het Uwv erkende problemen van een betrokkene tegemoet kan worden gekomen. Zij heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep mede met de in beroep ingezonden rapporten inzichtelijk uiteen hebben gezet dat een urenbeperking niet nodig is zolang appellant passend werk verricht. Uitgaande van de juistheid van de aangenomen beperkingen heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant het werk in de voor hem geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de uit zijn klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Appellant is van mening dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de uitkomst van de neuropsychologische expertise heeft genegeerd dan wel onjuist heeft geïnterpreteerd. Uit alles blijkt volgens hem namelijk dat zijn ernstige vermoeidheidsklachten reëel zijn en bovendien ook zeer gebruikelijk zijn bij het ziektebeeld zoals hij dat heeft doorgemaakt. Volgens de Standaard Verminderde Arbeidsduur had dan ook op energetische gronden een urenbeperking moeten worden aangenomen. Appellant heeft gesteld dat de FML ook overigens een te rooskleurige weergave is van zijn daadwerkelijke mogelijkheden. Hiertoe heeft hij gewezen op wat in bezwaar is aangevoerd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is de verzekerde gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. De overwegingen die de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft neergelegd worden geheel onderschreven. Daaraan wordt nog toegevoegd dat de bevindingen van het neuropsychologisch onderzoek kenbaar bij de beoordeling zijn betrokken. Dit onderzoek heeft geen evidente afwijkingen heeft aangetoond. Niet ontkend wordt echter dat appellant door de in 2011 doorgemaakte hersenontsteking beperkingen in arbeid heeft. De verzekeringsartsen hebben appellant in verband met de consistente energetische klachten aangewezen op fysiek lichte, mentaal rustige en overzichtelijke werkzaamheden. In verband met deze klachten zijn verschillende beperkingen aangenomen. Zo is appellant aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is en op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Met de vaststelling dat geen sprake is van een psychiatrische aandoening die aanleiding geeft tot een urenbeperking en onder verwijzing naar het relatief actieve dagverhaal van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk gemaakt dat een urenbeperking niet geïndiceerd is. Voor zover de mogelijkheid om te werken is beperkt door de belaste thuissituatie waar in de neuropsychologische expertise aandacht voor wordt gevraagd, kan deze echter niet als een rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek worden beschouwd zoals de wet vereist.

4.3.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) W.M. Swinkels

NW