Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
17/2486 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Aanvraag om een langdurigheidstoeslag over de jaren 2010 tot en met 2014 terecht afgewezen. Geen bijzondere omstandigheid. 2) Aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag over het jaar 2015. Door het ontbreken van de enveloppe waarin het aanvraagformulier is verzonden is het onmogelijk om vast te stellen of het formulier tijdig ter post is bezorgd. Deze onzekerheid mag niet ten nadele van appellante strekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2486 PW

Datum uitspraak: 4 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2017, 16/2421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Appellante is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 14 oktober 2015 een aanvraag ingediend om een langdurigheidstoeslag over 2010 tot en met 2014 onderscheidenlijk een individuele inkomenstoeslag over 2015. Op het aanvraagformulier langdurigheidstoeslag, gedagtekend 14 oktober 2015, heeft zij vermeld dat zij het formulier door omstandigheden eerst op 27 december 2015 heeft gepost.

1.2.

Bij besluit van 5 januari 2016 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 7 maart 2016 heeft het college, onder intrekking van het besluit van 5 januari 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 april 2016 (bestreden besluit), appellante een individuele inkomenstoeslag over 2016 toegekend en de aanvraag van appellante afgewezen voor zover die ziet op de jaren 2010 tot en met 2015. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante op 4 januari 2016 de aanvraag heeft ingediend en dat de individuele inkomenstoeslag en de langdurigheidstoeslag niet met terugwerkende kracht kunnen worden aangevraagd. Het recht voor voorgaande jaren heeft het college daarom niet beoordeeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd komt, samengevat, op het volgende neer. De langdurigheidstoeslag over de jaren 2010 tot en met 2014 kan wel degelijk met terugwerkende kracht tot vijf jaar worden aangevraagd, zodat het college die aanvragen ten onrechte heeft afgewezen. Appellante heeft de aanvraag om individuele inkomenstoeslag voor 2015 tijdig ingediend, nu zij deze op 27 december 2015 ter post heeft bezorgd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon die ouder is dan 21 jaar maar die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.2.

Met ingang van 1 juli 2013 is artikel 44 van de WWB, anders dan voordien, ook van toepassing op artikel 36 van de WWB. Dit betekent dat vanaf die datum in beginsel geen langdurigheidstoeslag meer wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag om langdurigheidstoeslag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden een latere indiening rechtvaardigen.

4.3.

Reeds gelet op wat in 4.2 is overwogen, kan de beroepsgrond dat de langdurigheidstoeslag over 2010 tot en met 2014 met terugwerkende kracht tot vijf jaar kan worden aangevraagd, niet slagen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat in wat appellante heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheid is gelegen die maakt dat appellante niet eerder een aanvraag om een langdurigheidstoeslag over 2010 tot en met 2014 heeft kunnen indienen. Het college heeft daarom de aanvraag om een langdurigheidstoeslag over die jaren terecht afgewezen.

4.4.

De WWB is met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken en vervangen door de Participatiewet (PW). De in artikel 36 van de WWB geregelde langdurigheidstoeslag is per die datum komen te vervallen en daarvoor is de in artikel 36 van de PW geregelde individuele inkomenstoeslag in de plaats is gekomen.

4.5.

De aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag over het jaar 2015 moest appellante uiterlijk op 31 december 2015 indienen. Het aanvraagformulier is door het college ontvangen op 4 januari 2016. De enveloppe waarin de verzending heeft plaatsgevonden heeft het college niet bewaard, waardoor de datum van het poststempel niet (meer) kan worden vastgesteld. Appellante heeft verklaard dat zij de enveloppe met daarin het betreffende aanvraagformulier op 27 december 2015 ter post heeft bezorgd. Door het ontbreken van de enveloppe waarin het aanvraagformulier is verzonden, is het onmogelijk om vast te stellen of het formulier tijdig, te weten uiterlijk op 31 december 2015, ter post is bezorgd. De onzekerheid inzake de datum van terpostbezorging mag in die situatie niet ten nadele van appellante strekken. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet worden aangenomen dat deze aanvraag van appellante niet tijdig ter post is bezorgd.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt, voor zover het de aanvraag om de individuele inkomenstoeslag over 2015 betreft en dat de aangevallen uitspraak om die reden dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover het de aanvraag over 2015 betreft, vernietigen. Het college zal de aanvraag over 2015 alsnog inhoudelijk moeten beoordelen. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien en zal daarom het college opdragen opnieuw een besluit op bezwaar te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover betrekking hebbende op de individuele inkomenstoeslag over 2015 en vernietigt het besluit van 6 april 2016 in zoverre;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) S.H.H. Slaats

LO