Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
17/1241 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de overwegingen volgt dat in de IOAW en het AIB geen grondslag bestaat voor het betrekken van inkomen waarover appellante redelijkerwijs kan beschikken, in dit geval in de vorm van te bedingen vergoedingen voor op geld waardeerbare activiteiten. Alleen inkomen uit arbeid en overig inkomen zoals bepaald in het AIB kunnen voor het bepalen van de hoogte van de IOAW-uitkering worden betrokken. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante dergelijk inkomen heeft genoten. Appellante heeft verklaard dat zij voor haar huishoudelijke activiteiten, die zij beschouwde als vrijwilligerswerk en mantelzorg, geen financiële vergoeding heeft ontvangen. Het college heeft dit niet betwist en heeft ook geen nader onderzoek gedaan naar eventueel ontvangen financiële vergoedingen. Ook overigens is uit de gedingstukken niet gebleken van door appellante voor de activiteiten ontvangen financiële vergoedingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/419
NJB 2018/1713
USZ 2018/285
RSV 2018/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1241 NIOAW

Datum uitspraak: 4 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2016, 16/125 (aangevallen tussenuitspraak) en de einduitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 december 2016, 16/125 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W. Breure hoger beroep ingesteld. Nadien heeft

mr. P. Hanenberg, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellanten gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een reactie gegeven op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hanenberg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 1 september 2012 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor gehuwden. Daarvoor ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante vijf ochtenden per week huishoudelijk werk verricht op verschillende adressen, heeft de sociale recherche van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte uitkering. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer enkele observaties uitgevoerd, via internet onderzoek naar appellanten gedaan, bij appellanten bankafschriften opgevraagd, appellanten op 4 juni 2015 ieder afzonderlijk gehoord en appellante op

5 juni 2015 telefonisch gehoord. Appellante heeft tijdens het gesprek van 4 juni 2015 onder meer verklaard dat zij al drie jaar vijf ochtenden per week enkele huishoudelijke werkzaamheden verricht en boodschappen doet voor personen op meerdere adressen. Tijdens het telefoongesprek van 5 juni 2015 heeft appellante onder meer verklaard dat zij geen geld verdient met haar vrijwilligerswerk maar daarvoor boodschappen of een high tea krijgt, dat zij deze activiteiten sinds twee jaar verricht en dat het gaat om drie ochtenden in de week. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 juni 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 24 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 december 2015 (bestreden besluit 1), de uitkering over de periode van 4 juni 2013 tot en met 30 juni 2015 in te trekken en de over deze periode betaalde uitkering tot een bedrag van € 36.011,83 bruto van appellanten terug te vorderen. Vanaf 1 juli 2015 vordert het college maandelijks een bedrag van € 68,63 in en verrekent dat met de uitkering van appellanten. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten, door niet bij het college te melden dat appellante op geld waardeerbare huishoudelijke activiteiten heeft verricht, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Omdat appellanten geen concrete en verifieerbare gegevens over de activiteiten hebben overgelegd, is het recht op uitkering niet vast te stellen.

1.4.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat bij de berekening van de maandelijkse invordering geen rekening is gehouden met de voor appellanten geldende beslagvrije voet. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. Ten aanzien van de intrekking en de terugvordering heeft de rechtbank geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat appellante in de periode van 4 juni 2013 tot en met 30 juni 2015 op meerdere adressen huishoudelijke werkzaamheden heeft verricht. De verrichte werkzaamheden zijn aan te merken als in het economisch verkeer op geld waardeerbare werkzaamheden. Doordat appellanten aan het college geen mededeling hebben gedaan van de op geld waardeerbare activiteiten van appellante, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat appellante meerdere tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en ook verder onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar werkzaamheden en de door haar ontvangen inkomsten in natura, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op IOAW-uitkering van appellanten niet is vast te stellen.

1.5.

Bij besluit van 13 oktober 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het besluit van 11 december 2015 ingetrokken, het bezwaar gegrond verklaard voor zover dit ziet op de invordering tot een bedrag van € 68,63 per maand, de invordering met ingang van

11 december 2015 op een bedrag van € 0,- gesteld en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard, onder vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

2. Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd voor zover dat ziet op de invordering, het besluit van 24 juli 2015 herroepen voor zover dat ziet op de invordering en bepaald dat met ingang van 1 juli 2015 het bedrag dat maandelijks op de uitkering van appellanten wordt ingehouden wordt gesteld op € 0,-, onder veroordeling van het college in de door appellanten gemaakte proceskosten. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak gekeerd, voor zover deze zien op de intrekking en terugvordering van de IOAW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 4 juni 2013 tot en met 30 juni 2015.

4.2.

Het besluit tot intrekking van een IOAW-uitkering is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het uitkering verlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het uitkering verlenend orgaan rust.

4.3.

Appellanten ontvingen een IOAW-uitkering op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW, waarbij appellant is aangemerkt als werkloze werknemer en appellante als de echtgenote.

4.4.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de IOAW, bedraagt de uitkering het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen. In het geval van appellanten wordt op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW onder inkomen verstaan de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van de werkloze werknemer en de echtgenoot. Wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen is op grond van artikel 8, derde lid, van de IOAW nader uitgewerkt in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).

4.5.

Uit 4.4 volgt dat voor het bepalen van de hoogte van de uitkering het inkomen uit arbeid van appellante of haar overig inkomen moet worden betrokken. Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode op verschillende adressen huishoudelijke activiteiten heeft verricht. Aan de orde is de vraag of deze activiteiten kunnen worden aangemerkt als arbeid waaruit inkomen in vorenbedoelde zin is verkregen en appellanten deze activiteiten dus op grond van artikel 13, eerste lid, van de IOAW aan het college hadden moeten melden.

4.5.1.

Anders dan het college en de rechtbank, is de Raad van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of de activiteiten van appellante moeten worden aangemerkt als arbeid als bedoeld in 4.5, geen aansluiting kan worden gezocht bij de onder de Wet werk en bijstand en de Participatiewet (PW) ontwikkelde vaste rechtspraak over op geld waardeerbare activiteiten. Deze rechtspraak is immers gebaseerd op artikel 31 van (thans) de PW, waarin onder meer is bepaald dat tot de middelen niet alleen het inkomen wordt gerekend waarover de betrokkene beschikt maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de IOAW en in het AIB. Hierbij wordt opgemerkt dat met ingang van 7 februari 2015 artikel 4:2, aanhef en onder a, van het AIB is komen te vervallen. Hierin was onder meer bepaald dat de inkomsten die een betrokkene redelijkerwijs kon worden geacht te verwerven van belang waren voor het bepalen van het inkomen.

4.5.2.

Evenmin kan aansluiting worden gezocht bij onder de IOAW ontwikkelde rechtspraak over de hoedanigheid van werkloze werknemer (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

18 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7170), omdat appellante als echtgenote een afgeleid recht op IOAW-uitkering heeft en zelf niet kan worden aangemerkt als werkloze werknemer.

4.6.

Uit 4.5.1 en 4.5.2 volgt dat in de IOAW en het AIB geen grondslag bestaat voor het betrekken van inkomen waarover appellante redelijkerwijs kan beschikken, in dit geval in de vorm van te bedingen vergoedingen voor op geld waardeerbare activiteiten. Alleen inkomen uit arbeid en overig inkomen zoals bepaald in het AIB kunnen voor het bepalen van de hoogte van de IOAW-uitkering worden betrokken. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante dergelijk inkomen heeft genoten. Appellante heeft verklaard dat zij voor haar huishoudelijke activiteiten, die zij beschouwde als vrijwilligerswerk en mantelzorg, geen financiële vergoeding heeft ontvangen. Het college heeft dit niet betwist en heeft ook geen nader onderzoek gedaan naar eventueel ontvangen financiële vergoedingen. Ook overigens is uit de gedingstukken niet gebleken van door appellante voor de activiteiten ontvangen financiële vergoedingen.

4.7.

Gelet op 4.6 was in de te beoordelen periode geen sprake van inkomen uit arbeid dat van belang was voor het bepalen van de hoogte van de IOAW-uitkering. De onder 1.2 weergegeven onderzoeksresultaten bieden hiervoor onvoldoende feitelijke grondslag. Van schending van de op appellanten rustende inlichtingenverplichting is daarom geen sprake. Het college was dan ook niet bevoegd de IOAW-uitkering over de periode van 4 juni 2013 tot en met 30 juni 2015 in te trekken, de over die periode betaalde uitkering van appellanten terug te vorderen en, hiermee samenhangend, tot invordering over te gaan.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten en behoudens de bepalingen over proceskosten en griffierecht, moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen, behoudens de toekenning van de vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar. Tevens bestaat aanleiding bestreden besluit 1 te vernietigen voor zover de rechtbank dit in stand heeft gelaten. Met het oog op een definitieve geschilbeslechting overweegt de Raad voorts als volgt. Het college heeft desgevraagd ter zitting verklaard geen mogelijkheid te zien nog nader onderzoek te doen naar in de te beoordelen periode door appellante verworven inkomsten, gelet op het tijdsverloop en de gewijzigde omstandigheden. De Raad ziet daarin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 24 juli 2015 te herroepen, aangezien aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan bestreden besluiten 1 en 2 en dit gebrek niet kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten en behoudens de bepalingen over proceskosten en griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2016 gegrond en vernietigt dat besluit, behoudens de toekenning van de vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar;

  • -

    vernietigt het besluit van 11 december 2015 voor zover de rechtbank dit in stand heeft gelaten;

  • -

    herroept het besluit van 24 juli 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 11 december 2015 en 13 oktober 2016;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) F. Dinleyici

JL