Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
16/5034 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening norm alleenstaande ouder naar alleenstaande. College heeft aannemelijk gemaakt dat zoon bij moeder in buitenland verbleef. Appellant heeft ook in hoger beroep tegendeel niet aan hand van verifieerbare en controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5034 WWB

Datum uitspraak: 4 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 juni 2016, 15/1447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.M. Bongaarts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bongaarts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.T.P.P. Gijsens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Als gevolg van het opheffen van de gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2016 treedt in dit geding het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland. In deze uitspraak wordt onder college tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland.

1.2.

Appellant ontving met ingang van 11 juli 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Hij vormde een huishouding met zijn minderjarige zoon. In het kader van heronderzoek heeft de klantmanager van appellant geconstateerd dat diens zoon vanaf 26 januari 2012 uitgeschreven is geweest uit de basisregistratie personen (brp) van de gemeente [woonplaats] met de aantekening dat hij was vertrokken naar Bosnië-Herzegovina. Vanaf 31 juli 2012 stond de zoon weer ingeschreven in de brp van de gemeente [woonplaats] op het adres van appellant.

1.3.

Bij besluit van 24 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode 26 januari 2012 tot 31 juli 2012 herzien naar de norm voor een alleenstaande en de teveel betaalde bijstand ten bedrage van € 2.444,44 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet tijdig mee te delen dat zijn zoon niet meer bij hem woonde, maar bij zijn moeder in Bosnië-Herzegovina verbleef, zodat de zoon geen “ten laste komend kind” in de zin van de WWB was. Als gevolg hiervan is appellant ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder, in plaats van bijstand naar de norm voor een alleenstaande, aldus het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet meer in geschil is dat de zoon van appellant van 31 maart 2012 tot 15 juni 2012 bij zijn moeder in Bosnië heeft gewoond. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of appellant in de perioden van 26 januari 2012 tot 31 maart 2012 en van

15 juni 2012 tot en met 30 juli 2012 (perioden in geding) moest worden aangemerkt als alleenstaande ouder, waarbij het er in deze procedure met name om gaat of de zoon van appellant in die perioden in Nederland woonde.

4.2.

Artikel 4 van de WWB luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander (…)

(…)

d. kind: het in Nederland woonachtige eigen of stiefkind;

e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder (…) op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.”

4.3.

Het besluit tot herziening (gedeeltelijke intrekking) van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.4.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) komt daarbij geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, omdat dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de enkele uitschrijving van zijn zoon uit de brp niet voldoende is voor het oordeel dat de zoon niet meer bij hem woonde. De zoon verbleef nooit zo lang bij zijn moeder in Bosnië-Herzegovina. Omdat zijn moeder nog niet beschikte over een verblijfsvergunning wisselde zij perioden dat zij in Nederland mocht verblijven af met perioden in Bosnië-Herzegovina. De zoon reisde een paar keer per jaar met zijn moeder op en neer, soms met, soms zonder zijn vader erbij. Het is ook niet de bedoeling geweest dat de zoon werd uitgeschreven uit de brp. Die uitschrijving heeft plaatsgevonden op instigatie van een medewerker van de gemeente [woonplaats] en berust op een misverstand. Het was juist de bedoeling dat de moeder uiteindelijk bij de zoon en appellant in Nederland zou komen wonen, wat uiteindelijk, nadat zij een verblijfsvergunning heeft gekregen, ook is gebeurd. In de periode van 26 januari 2012 tot 31 juli 2012 heeft de zoon slechts een beperkte periode in Bosnië-Herzegovina verbleven, zodat het college de bijstand ten onrechte over die gehele periode heeft herzien.

4.6.

Vaststaat dat appellant het formulier voor de uitschrijving uit de brp van zijn zoon heeft ondertekend. Daaraan mag appellant worden gehouden. Dat hij het formulier in goed vertrouwen heeft ondertekend, zoals hij heeft aangevoerd, moet voor zijn rekening en risico blijven. Aan die uitschrijving uit de brp komt echter, zoals in 4.4 is overwogen, voor het vaststellen van de woonplaats van de zoon van appellant geen doorslaggevende betekenis toe. Behalve die uitschrijving heeft het college ook van belang geacht dat appellant blijkens gegevens van GWK Travelex op 6 maart 2012 en 2 april 2012 telkens een bedrag van € 410,- aan de moeder in Bosnië-Herzegovina heeft overgemaakt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van de zoon. Over de overmaking op 6 maart 2012 heeft appellant in beroep aangevoerd dat deze op het eerste kwartaal van 2012 betrekking heeft. De overmaking op

2 april 2012 ziet volgens appellant op het tweede kwartaal van 2012. Appellant wist hoeveel hij per kwartaal moest overmaken om over dat kwartaal, gelet op de daarvoor geldende regels, kinderbijslag voor zijn zoon te verkrijgen. Deze door appellant naar het buitenland overgemaakte bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de zoon ondersteunen de uitschrijving uit de brp op 26 januari 2012. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat de zoon in elk geval vanaf 26 januari 2012 bij zijn moeder in het buitenland heeft verbleven. Het lag vervolgens op de weg van appellant daar verifieerbare en controleerbare bewijsstukken van zijn stelling dat zijn zoon bij hem heeft gewoond of eerder dan de hernieuwde inschrijving in de brp op 31 juli 2012 is teruggekeerd, tegenover te stellen. Appellant heeft echter ook in hoger beroep geen gegevens overgelegd die zijn beroepsgronden kunnen ondersteunen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de zoon in de perioden in geding niet bij appellant woonde, maar bij zijn moeder in Bosnië-Herzegovina. Om die reden kon appellant, gelet op artikel 4 van de WWB, niet als een alleenstaande ouder worden aangemerkt. Dat appellant ten aanzien van de zoon onderhoudsplichtig was en een financiële bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud heeft geleverd, doet aan het voorgaande niet af.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) H. Achtot

JL