Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
16/3346 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering kinderbijslag. Geen ingezetene meer van Nederland met ingang van het eerste kwartaal van 2014. De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3346 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

31 maart 2016, 15/2551 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 september 2018

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Mr. A. Benamar, advocaat, heeft nadere gronden ingediend. Mr. Benamar heeft zich naderhand teruggetrokken als gemachtigde.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1. Met een besluit van 6 mei 2014 (herzieningsbesluit) is aan appellante medegedeeld dat zij vanaf het eerste kwartaal van 2013 geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat door de Svb niet is vast te stellen of appellante op de eerste dag van dat kwartaal nog in Nederland woonde. Ook werkte appellante op die datum niet in Nederland. Met een besluit van dezelfde datum (terugvorderingsbesluit) is van appellante € 3.367,53 teruggevorderd, omdat dit bedrag ten onrechte aan haar is betaald. In een beslissing op bezwaar van 17 maart 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen beide besluiten van 6 mei 2016 ongegrond verklaard. Als motivering voor de herziening van de kinderbijslag is daarin gegeven dat appellante vanaf het eerste kwartaal van 2013 niet meer als ingezetene wordt aangemerkt.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vanaf het eerste kwartaal van 2013 niet meer gezegd kan worden dat appellante als ingezetene van Nederland aangemerkt moet worden. Nu zij vanaf die datum niet meer verzekerd was voor de AKW, is haar een drietal kwartalen ten onrechte kinderbijslag uitbetaald. Wat appellante tegen de terugvordering heeft aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als dringende redenen om hiervan af te zien.

3. In hoger beroep benadrukt appellante dat zij wel als ingezetene aangemerkt dient te worden en dat haar vertrek naar Marokko en haar voortdurende verblijf aldaar dit niet anders maakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Om recht op kinderbijslag te kunnen hebben, dient appellante in Nederland verzekerd te zijn op grond van de AKW. Niet in geschil is dat appellante niet in Nederland werkzaam was, zodat zij over de kwartalen in geding alleen recht op kinderbijslag kon hebben als zij ingezetene was van Nederland. Op grond van artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt, gezien artikel 3, eerste lid, van de AKW, naar de omstandigheden beoordeeld. Uit de uitspraak van de Raad van 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5323, volgt dat niet is uitgesloten dat iemand in twee landen een woonplaats kan hebben.

4.2.

Naar aanleiding van een melding van de gemeente Almere op 29 januari 2013 dat appellante in oktober/november 2012 met haar vier jongste kinderen naar het buitenland is vertrokken, heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende kinderbijslag. Op 15 april 2013 heeft appellante telefonisch doorgegeven dat alle kinderen en ook zijzelf op dat moment in Nederland woonden. Nadat de gemeente Almere in juli 2013 melding maakte van het verzoek om vrijstelling van de leerplicht voor twee kinderen van appellante, heeft de Svb opnieuw een onderzoek gestart. In de loop van de onderzoeken is duidelijk geworden dat appellante, nadat haar vier jongste kinderen uit huis geplaatst dreigden te worden, eind 2012 met hen naar het buitenland is vertrokken. Uiteindelijk bleek appellante met haar kinderen in Marokko bij haar schoonmoeder te verblijven. Haar overige kinderen en haar echtgenoot bleven in Nederland achter, in het huis waar ook appellante had verbleven.

4.3.

De stelling van de Svb, dat appellante direct vanaf het vertrek naar het buitenland eind 2012 haar ingezetenschap heeft verloren, kan niet worden gevolgd. Uit de beleidsregels van de Svb (SB1027) volgt dat, indien niet direct bij vertrek duidelijk is dat iemand definitief naar het buitenland vertrekt, het ingezetenschap geleidelijk afneemt. In het eerste jaar na vertrek is het aan de Svb om aannemelijk te maken dat dit vertrek als definitief is bedoeld. Indien iemand na een jaar nog niet is teruggekeerd, is het aan diegene om aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat betrokkene toch als ingezetene aangemerkt dient te worden. In dit geding heeft de Svb onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vertrek van appellante met haar kinderen van meet af aan als definitief was bedoeld. De reden van vertrek naar het buitenland duidt niet op een gepland langdurig vertrek, een groot deel van het gezin van appellante bleef in Nederland en in Nederland had appellante, met haar gezin, de beschikking over een inkomen en een zelfstandige woning.

4.4.

Gelet op de genoemde beleidsregels van de Svb moet dan ook worden vastgesteld dat appellante op de peildata van 2013 nog als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt. Vanaf het eerste kwartaal van 2014 geldt dit niet meer, nu appellante niets heeft aangevoerd of aangetoond waaruit zou moeten blijken dat zij op dat moment nog ingezetene van Nederland was.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden, evenals het bestreden besluit. De besluiten van 6 mei 2014 zullen worden herroepen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het recht op kinderbijslag van appellante met ingang van het eerste kwartaal van 2014 te beëindigen, en door de terugvordering te herroepen.

5. De Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten in bezwaar ter hoogte van € 1.002,- en proceskosten in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.503,-. In totaal dus

€ 2.505,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het herzieningsbesluit;

- beëindigt het recht op kinderbijslag van appellante met ingang van het eerste kwartaal van

2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het herzieningsbesluit van

6 mei 2014;

- herroept het terugvorderingsbesluit;

- veroordeelt de Svb tot vergoeding van kosten in bezwaar en proceskosten van appellante tot

een bedrag van € 2.505,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van

H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2018.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

OS