Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
16/3147 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3147 AOW, 16/3148 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

7 april 2016, 15/1381 en 15/4316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 september 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam A] hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Namens appellante is [naam A] verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde. Naar aanleiding van een tip van de gemeente [woonplaats] heeft de Svb op

16 september 2014 een bezoek gebracht aan het toen bekende adres van appellante in Duitsland. Daar werd de zoon van appellante aangetroffen. Van het bezoek is een rapport opgemaakt waarin staat vermeld:

“Op bovenstaand adres aangetroffen [naam zoon], zoon van [Appellante]. Het adres betreft een grote woning met daaraan aangebouwd een kleine studio. Op de voordeur van de studio hangt een naamplaatje met daarop de naam van [Appellante]. De zoon van [Appellante] deelt ons mede dat zowel de grote woning als de studio huurwoningen zijn. Zijn moeder heeft tot vorige week in de studio gewoond maar is wegens huurachterstand door de huiseigenaar de studio uitgezet. (...) Volgens de zoon woont [Appellante] inmiddels weer in de gemeente [woonplaats] en moet daar ook staan ingeschreven. Een adres in [woonplaats] weet hij niet. [Appellante] woont volgens haar zoon niet bij zijn vader (…). Wel deelt zoon mee dat zijn moeder met een andere man samenwoont in [woonplaats]. De naam van de vriend van zijn moeder kent hij niet.”

Op 23 september 2014 ontving de Svb een adreswijziging van appellante. Appellante stond inmiddels vanaf 9 september 2014 ingeschreven op het adres [Adres] te [woonplaats]. Op dit adres stond tevens [naam A] ([A]) ingeschreven.

1.2.

Bij besluit van 16 oktober 2014 (primair besluit 1) heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat zij voorlopig minder AOW-pensioen zou krijgen, omdat de Svb niet kon nagaan of zij het juiste bedrag ontving. De Svb vermoedde namelijk dat appellante niet meer alleen woonde. Bij dit besluit ontving appellante een vragenformulier over haar woonsituatie. Appellante heeft dit formulier ingevuld en teruggestuurd. Bijgevoegd waren een verklaring van appellante zelf en een verklaring van [A]. Een en ander kwam er zakelijk weergegeven op neer dat [A] appellante onderdak had geboden, omdat zij geen woonruimte meer had en geen geld om nieuwe woonruimte te vinden. Van wederzijdse zorg of financiële verstrengeling was geen sprake.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 3 maart 2015 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij is opgemerkt dat appellante niet is uitgenodigd voor een hoorgesprek, omdat uit het bezwaarschrift direct was gebleken dat de Svb appellante geen gelijk kon geven.

1.4.

Omdat de Svb in het kader van de definitieve vaststelling van het pensioen van appellante nader onderzoek naar haar leefsituatie nodig vond, is appellante uitgenodigd om op

6 februari 2015 naar het Svb-kantoor in Deventer te komen. In overleg met haar toenmalige advocaat is de afspraak verplaatst naar 18 februari 2015 in Harderwijk. Op 15 februari 2015 heeft appellante aan de Svb laten weten niet te zullen verschijnen omdat zij niet over een compleet dossier beschikte. Zij is op 18 februari 2015 daadwerkelijk niet verschenen.

1.5.

Bij besluit van 4 maart 2015 (primair besluit 2) heeft de Svb het AOW-pensioen van appellante met ingang van 1 oktober 2014 herzien naar het pensioen voor een gehuwde. Tijdens de bezwaarprocedure tegen primair besluit 2 heeft appellante het dossier van de Svb ontvangen. Daarna heeft zij laten weten geen gebruik te maken van haar recht te worden gehoord. In plaats daarvan heeft zij een nadere schriftelijke verklaring overgelegd. De Svb heeft appellante vervolgens in de gelegenheid gesteld alsnog mee te werken aan een onderzoek naar haar leefsituatie. Appellante heeft daarop afwijzend gereageerd.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2015 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat de Svb bij gebreke van medewerking van appellante haar leefsituatie niet heeft kunnen vaststellen. Daarom is uitgegaan van de inschrijving in de basisregistratie personen.

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen beide bestreden besluiten op basis van de hieronder te noemen overwegingen ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. Zij heeft tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd, zakelijk weergegeven en voor zover nu nog van belang, dat zij ten onrechte niet is gehoord tijdens de bezwaarprocedure tegen primair besluit 1, dat de Svb onvoldoende reden had om tot gedeeltelijke schorsing van de uitbetaling over te gaan omdat de zoon van appellante nooit een verklaring heeft afgelegd als weergegeven onder 1.1, dat appellante door het invullen van het vragenformulier en het tijdig afzeggen van de afspraak in Harderwijk wel degelijk de vereiste medewerking heeft verleend en dat de Svb een huisbezoek had moeten afleggen op het adres [Adres] te [woonplaats].

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Uit de overgelegde inkomensgegevens blijkt niet dat appellante voor vrijstelling van het griffierecht in aanmerking komt. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

4.2.

Met betrekking tot de vraag of de Svb heeft mogen overgaan tot schorsing van de uitbetaling van een gedeelte van het AOW-pensioen van appellante (bestreden besluit 1) heeft de rechtbank overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder):

“ Verweerder is bevoegd de uitbetaling van het AOW-pensioen te schorsen, indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat er een lager recht op pensioen bestaat. Dit volgt uit artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b van de AOW. De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling van een schorsingsbesluit als het onderhavige dient te geschieden aan de hand van de situatie ten tijde van het nemen van dat besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van
21 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5100). De rechtbank is van oordeel dat op grond van de voorlopige onderzoeksbevindingen – het feit dat eiseres vertrokken was van het adres in Duitsland, de verklaring van haar zoon dat zij bij een vriend in [woonplaats] zou wonen en de BRP-inschrijving bij [A] in [woonplaats] – bij verweerder het vermoeden kon bestaan dat eiseres slechts recht had op een pensioen ter hoogte van een gehuwde pensioengerechtigde. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om eiseres te volgen in haar standpunten dat de verklaringen van haar zoon verzonnen zouden zijn door verweerder (…). De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek van verweerder onzorgvuldig te achten. Verweerder heeft terecht van de bevoegdheid tot schorsing gebruikt gemaakt.”

Deze overweging van de rechtbank wordt onderschreven. De Raad voegt hieraan toe dat het, als de weergave in het rapport van de Svb onjuist zou zijn geweest, op de weg van appellante had gelegen om een expliciete verklaring van haar zoon van die strekking aan het dossier toe te voegen. Nu dit niet is gebeurd, is er geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van appellante dat haar zoon de weergegeven verklaring niet heeft afgelegd. De Svb mocht dan ook afgaan op de juistheid van het rapport van 16 september 2014.

4.3.

Over het feit dat appellante in het kader van de bezwaarprocedure tegen primair besluit 1 niet is gehoord, heeft de rechtbank overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder):

“ De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt is dat de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om te worden gehoord. Daarvan kan slechts worden afgezien in een beperkt aantal gevallen, zoals bepaald in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daaronder geldt tevens de situatie dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond heeft geacht en om die reden heeft kunnen afzien van het horen van eiseres. In dit kader is van belang dat slechts sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar als uit het bezwaarschrift zelfs reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. De rechtbank is van oordeel dat daar in het onderhavige geval sprake van is. De bezwaren van eiseres, zoals weergegeven in het bezwaarschrift van 23 december 2014, zien immers uitsluitend op het volgens haar ontbreken van een gezamenlijke huishouding. In bezwaar lag echter de vraag voor of de gedeeltelijke schorsing van het AOW-pensioen in verband met een vermoeden van het voeren van een gezamenlijke huishouding gerechtvaardigd was. In bezwaar heeft eiseres geen omstandigheden aangevoerd waarom het vermoeden en daarmee de schorsing niet gerechtvaardigd zou zijn. Ook overigens is daarvan niet gebleken. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Dit betekent ook dat verweerder kon afzien van het horen van eiseres.”

De Raad onderschrijft dit oordeel en de gronden waarop het berust. Op grond van de in 4.2 vermelde omstandigheden was in redelijkheid geen twijfel mogelijk dat de Svb op

16 oktober 2014 tot schorsing van de uitbetaling van een gedeelte van het AOW-pensioen kon overgaan. De Svb hoefde appellante dan ook niet uit te nodigen om te worden gehoord.

4.4.

Over de vraag of de Svb het pensioen van appellante met ingang van 1 oktober 2014 op goede gronden heeft herzien naar het bedrag voor een gehuwde (bestreden besluit 2) heeft de rechtbank overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder):

“Verweerder verwijst naar artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder c van de AOW. Op grond van dit artikel herziet verweerder een besluit indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat. Op grond van artikel 15, tweede lid, van de AOW is de pensioengerechtigde verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan verweerder desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Deze voorschriften zijn de Controlevoorschriften AOW (hierna: de Controlevoorschriften). Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Controlevoorschriften verschijnt de pensioengerechtigde na een oproep van verweerder op het kantoor van verweerder en verstrekt de gevraagde gegevens. Op grond van artikel 7 maakt de pensioengerechtigde controle mogelijk door personen die daarmee door verweerder zijn belast.

Eiseres heeft een formulier leefsituatie en een verklaring van haarzelf en [A] overgelegd. Verweerder achtte het noodzakelijk om eiseres voor een gesprek op kantoor uit te nodigen, zodat zij nadere informatie kon verstrekken over haar leefsituatie. Noch het feit dat verweerder nadere informatie nodig achtte, noch de wijze waarop verweerder de nadere informatie heeft willen verkrijgen, is naar het oordeel van de rechtbank onredelijk bezwarend. Verweerder is eiseres nog tegemoet gekomen door haar uit te nodigen voor een gesprek in Harderwijk in plaats van in Deventer. Nu eiseres ervoor gekozen heeft om niet te voldoen aan de oproep om te verschijnen op het kantoor van verweerder teneinde informatie ter zake te verschaffen, heeft zij de voorschriften van artikel 6 en 7 van de Controlevoorschriften overtreden. Dat eiseres meende dat zij niet over alle stukken beschikte, levert naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid op waarin zij niet behoefde te voldoen aan haar verplichtingen. Nu eiseres door het niet verschijnen op het kantoor van verweerder een verplichting als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de AOW niet is nagekomen, was verweerder op grond van het bepaalde in artikel 17a, lid 1 onder c van de AOW gehouden om het pensioen van eiseres te herzien.”

De Raad onderschrijft ook op dit punt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust. Appellante heeft door niet te verschijnen op de afspraak in Harderwijk, door geen gebruik te maken van haar recht om in bezwaar te worden gehoord en door ook toen de Svb het dossier aan haar had verstrekt, niet te willen meewerken aan een gesprek over haar leefsituatie, een correcte vaststelling van haar recht op AOW-pensioen onmogelijk gemaakt. Hieraan doet niet af dat de Svb niet ook nog heeft geprobeerd om op het adres van appellante in [woonplaats] een huisbezoek af te leggen. Appellante heeft de Svb hiertoe overigens nooit uitgenodigd.

4.5.

Wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht af;

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van

H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2018.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

SSa