Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
17/3894 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, lid 1, Awb. 2) Verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Een verzoek om herziening van een reeds eerder met toepassing van art. 8:119, lid 1, Awb gewezen uitspraak beschouwt de Raad als zinloos en als niet passend in het systeem van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3894 AW, 17/3895 AW

Datum uitspraak: 30 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraken, van de Raad van

4 september 2014, 14/1533 en 14/1534 (uitspraak 1), 23 juli 2015, 15/480 en 15/481 (uitspraak 2), en 9 maart 2017, 15/7798 en 15/8085 (uitspraak 3)

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft om herziening verzocht van de uitspraken 1, 2 en 3.

De staatssecretaris heeft daarop gereageerd.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was werkzaam bij de [dienst], onderdeel [onderdeel]. Aan verzoeker is met ingang van 1 januari 1992 eervol ontslag verleend, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan.

1.2.

Bij brief van 23 april 2013 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen een besluit van

29 januari 1988 van de staatssecretaris. Bij besluit van 15 mei 2013 is dat bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet te verontschuldigen termijnoverschrijding. Voorts heeft de staatssecretaris daarbij overwogen dat hij geen aanleiding ziet om de inschaling met terugwerkende kracht tot 1 juli 1987 te herzien. Het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 15 mei 2013 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank, ter behandeling als een beroep. Voor zover dat bezwaar was gericht tegen de weigering de inschaling met terugwerkende kracht tot 1 juli 1987 te herzien, heeft de rechtbank het beroep teruggestuurd aan de staatssecretaris om te behandelen als bezwaar. Dat bezwaar is bij besluit van 24 september 2013 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij uitspraak van 27 februari 2014, 13/1917, heeft de rechtbank Limburg (rechtbank) het beroep van verzoeker tegen het besluit van 15 mei 2013, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 1988 niet-ontvankelijk is verklaard, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van eveneens 27 februari 2014, 13/3404, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 24 september 2013 ongegrond verklaard.

1.4.

De Raad heeft bij uitspraak 1 deze uitspraken van de rechtbank Limburg bevestigd. Bij uitspraak 2 heeft de Raad het verzoek om herziening van uitspraak 1 afgewezen. Bij

uitspraak 3 heeft de Raad het verzoek om herziening van uitspraken 1 en 2 afgewezen.

2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat de gedingen bij de rechtbank zijn gestart op initiatief van de staatssecretaris, die tegen de zin van verzoeker zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 15 mei 2013 heeft doorgestuurd naar de rechtbank. De rechtbank heeft voor de behandeling van de beroepen tegen de besluiten van 15 mei 2013 en 24 september 2013 tezamen één keer griffierecht geheven van € 160,-. Verzoeker heeft het griffierecht betaald nadat een medewerker van de rechtbank min of meer suggereerde dat de kans reëel was dat de procedure gunstig voor hem zou uitpakken. Vervolgens heeft de rechtbank verzoeker schriftelijk bericht dat zijn beroepen gevoegd zouden worden behandeld. Echter, de rechtbank heeft de zaken niet gevoegd tot één uitspraak, maar twee separate uitspraken gedaan. Vervolgens heeft de Raad in het hoger beroep tegen die uitspraken twee keer griffierecht geheven. Verzoeker acht dat onterecht omdat sprake is van willens en wetens door de staatssecretaris aan hem opgedrongen procedures. Verzoeker heeft voorts gronden aangevoerd die betrekking hebben op zijn te lage inschaling voorafgaand aan zijn ontslag met gebruikmaking van de VUT-regeling.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

De Raad stelt vast dat de gronden van het verzoek om herziening, voor zover deze betrekking hebben op de inschaling van verzoeker voorafgaand aan zijn ontslag, grotendeels een herhaling zijn van wat hij eerder heeft aangevoerd. De stukken die verzoeker heeft ingediend ter onderbouwing van zijn gronden dateren alle van decennia geleden en dus van vóór uitspraak 1, zodat deze toen bij hem bekend konden zijn. Voor zover verzoeker nieuwe stellingen en argumenten naar voren heeft gebracht, zijn dat geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Dat geldt ook voor de gronden van verzoeker die zijn gericht tegen de heffing van het griffierecht in hoger beroep. Wat verzoeker heeft aangevoerd is er in wezen op gericht een discussie over de juistheid van uitspraak 1 en over de hoogte van het geheven griffierecht te voeren. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 18 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:187) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, een nieuwe discussie over de betrokken uitspraak te openen.

3.3.

Wat hiervoor is overwogen betekent dat het verzoek om herziening van uitspraak 1 moet worden afgewezen.

3.4.

Voor zover verzoeker om herziening heeft verzocht van uitspraken 2 en 3, overweegt de Raad als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 18 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:187) kan alleen van de oorspronkelijke uitspraak herziening worden gevraagd. Een verzoek om herziening van een reeds eerder met toepassing van artikel 8:119 van de Awb gewezen uitspraak beschouwt de Raad als zinloos en als niet passend in het systeem van de Awb. Een dergelijk verzoek moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarom zal het verzoek om herziening van de uitspraken 2 en 3 niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van 4 september 2014 af;

  • -

    verklaart het verzoek om herziening van de uitspraken van 23 juli 2015 en 9 maart 2017 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P.W.J. Hospel

SSa