Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
16/5175 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand i.v.m. op geld waardeerbare werkzaamheden in pizzeria van zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5175 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 juni 2016, 15/6760 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 4 september 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Šimičević. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.B.H. Fijneman. Als tolk was aanwezig E. Battaloglu.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 14 september 2007 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Het college heeft op 3 november 2014 een anonieme melding ontvangen, inhoudende dat appellanten werkzaamheden verrichtten in een onderneming in [plaatsnaam] die op naam van hun zoon stond. Naar aanleiding van die melding heeft een medewerker van de afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer dossieronderzoek verricht en de Kamer van Koophandel (KvK) om inlichtingen verzocht. Uit de gegevens van de KvK blijkt dat op naam van de zoon van appellanten (zoon), geboren in 1995, vanaf 1 december 2013 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak stond geregistreerd met de handelsnaam [handelsnaam]. Dit betrof een afhaalcentrum voor pizza’s en döner kebab. Op 8 december 2014 is de onderneming overgedragen aan een nieuwe eigenaar.

1.3.

Bij brief van 15 januari 2015 heeft een controleur van de onder 1.2 genoemde afdeling Bijzondere Onderzoeken appellanten uitgenodigd voor een gesprek op 3 februari 2015. Appellante heeft tijdens dit gesprek onder andere verklaard dat zij en appellant hun zoon vanaf de opening van de zaak in de zaak hebben geholpen. Appellante sneed de sla en deed af en toe de afwas en appellant hielp vrijwel dagelijks met het bakken van Turkse pizza’s. Appellanten werden daarvoor niet betaald. Gedurende zes dagen per week vertrokken appellant en zijn zoon in de ochtend rond 7.30 uur met de auto naar [plaatsnaam]. In de avond kwamen zij tussen 20.00 uur en 21.00 uur weer thuis. Op zondag was de zaak gesloten.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

16 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 september 2015

(bestreden besluit), de bijstand van appellanten over de periode van 1 december 2013 tot en met 8 december 2014 (periode in geding) te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.269,52 van appellanten terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Niet in geschil is dat de zoon in de te beoordelen periode een onderneming op zijn naam had staan. Daarnaast is niet in geschil dat appellanten in de periode in geding op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht in de betreffende onderneming en dat zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door hiervan geen melding te maken bij het college.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet bewust hebben geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, is in geval van schending van de inlichtingenverplichting niet relevant of appellanten bewust de informatie voor het college hebben willen achterhouden. De in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting waarbij opzet geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellanten de werkzaamheden had moeten melden en dit hebben nagelaten. Dat laatste is, zo is niet in geschil, het geval.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Gelet op wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, is het, anders dan appellanten hebben aangevoerd, niet aan het college om een nader onderzoek naar een eventueel aanvullend recht op bijstand van appellanten in stellen. Aangezien in dit geval sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, ligt het op de weg van appellanten om aannemelijk te maken dat zij in de periode in geding wel recht op aanvullende bijstand hadden. Appellanten zijn in deze bewijslast niet geslaagd. Zij hebben geen duidelijkheid verschaft over de omvang van de verrichte werkzaamheden in de onderneming van de zoon, zodat niet kan worden vastgesteld hoeveel appellanten hadden kunnen verdienen met deze werkzaamheden. Anders dan appellanten hebben gesteld, kan op basis van de overgelegde bankafschriften het recht op bijstand over de periode in geding niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. Aan de stelling van appellanten dat zij ernstige gezondheidsklachten hebben en daardoor niet fulltime hebben kunnen werken, komt geen betekenis toe, nu de omvang van hun werkzaamheden niet bekend is, nog daargelaten dat zij deze stelling niet met stukken hebben onderbouwd. Bovendien hebben de gestelde gezondheidsklachten appellanten, gelet op wat onder 4.2 is overwogen, niet verhinderd op geld waardeerbare werkzaamheden te verrichten. Eventuele bewijsproblemen komen voor rekening en risico van appellanten, omdat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden en daardoor de gestelde bewijsnood over zichzelf hebben afgeroepen.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat het recht op bijstand van appellanten in de periode in geding niet is vast te stellen. Het college was daarom gehouden het recht op bijstand over die periode in te trekken.

4.7.

Appellanten hebben aangevoerd dat de terugvordering niet in verhouding staat tot de eventueel genoten inkomsten. Deze beroepsgrond slaag niet. Gelet op 4.5 kan het recht op bijstand van appellanten in de periode in geding niet worden vastgesteld. Het college was daarom op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden om de kosten van bijstand over deze periode integraal terug te vorderen.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en

E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) Y. Azirar

RH