Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
16/2148 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Uit de medische informatie van de behandelaars, waaronder die van Brijder, blijkt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de vaststelling van de mogelijkheden en beperkingen van appellante van onjuiste of onvolledige informatie is uitgegaan over de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. Geen benoeming deskundige. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2148 ZW

Datum uitspraak: 5 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 februari 2016, 15/6097 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.A.M. Houberg hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door de heer Houberg. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster in een broodjeszaak. Op

18 maart 2014 heeft zij zich ziek gemeld na een opname in verband met middelenmisbruik. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 13 februari 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 februari 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van de deze functies berekend dat appellante nog meer dan haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 5 maart 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 18 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 14 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 juli 2015, inclusief een aangepaste FML van 30 juli 2015, en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 augustus 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de daaruit getrokken conclusies. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat door de dreiging dat appellante haar woning kwijt zou raken er een toename van klachten rond de datum in geding was. Appellante heeft met de in beroep overgelegde brief van
22 oktober 2015 van psychiater P.C. Wauben van Brijder Verslavingszorg onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op de datum in geding sprake was van een grotere trek naar verslaving en een toename van PTSS-klachten. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante haar standpunt dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen op basis van een sterk wisselende belastbaarheid in de periode rond de datum in geding, onvoldoende met medische stukken heeft onderbouwd. Dit geldt eveneens voor haar standpunt dat een urenbeperking op preventieve gronden in verband met de ondergane behandeling en gebruikte medicatie nodig is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat het Uwv de uit haar psychische klachten voortvloeiende beperkingen heeft onderschat. Zij heeft erop gewezen dat zij meerdere verslavingsproblemen heeft, een borderline persoonlijkheidsstoornis, een PTSS en een antisociale persoonlijkheid. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een brief van
30 november 2017 van psychiater Wauben en rapporten van 3 januari 2018 en van
9 juni 2018 van medisch adviseur D. Heijstek overgelegd. Heijstek heeft zich in deze rapporten in navolging van zijn in bezwaar ingebrachte rapport van 8 juni 2015 op het standpunt gesteld dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat appellante op de datum in geding bij Brijder in behandeling was voor haar cocaïne- en alcoholverslaving, daardoor niet 40 uur per week beschikbaar was voor arbeid en binnen drie tot zes maanden na de datum in geding ook behandeld zou gaan worden voor haar PTSS. Een urenbeperking is volgens Heijstek eveneens aangewezen, omdat appellante op de datum in geding nog niet stabiel genoeg was om intensieve psychiatrische behandeling te ondergaan en daarom ook niet 40 uur per week kon werken. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de psychiater adviseerde met de behandeling van de PTSS te wachten totdat de sociale omstandigheden deze toe zouden laten. Een urenbeperking is volgens Heijstek bovendien op energetische gronden geïndiceerd; appellante sliep in de periode rond de datum in geding slecht, had nachtmerries en gebruikte sederende medicatie. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige (een psychiater) te benoemen, waarbij zij heeft opgemerkt dat het haar aan financiële middelen ontbreekt om zelf een deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar rapporten van 31 januari 2018 en 3 juli 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Vastgesteld wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er bij het opstellen van de FML vanuit is gegaan dat appellante al jaren bekend is met fors middelenmisbruik waarvoor zij al diverse keren onder behandeling is geweest en ook al jaren bekend is met een borderline persoonlijkheidsstoornis en een PTSS. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij de beoordeling van de medische situatie van appellant op de datum in geding geconcludeerd dat het middelengebruik na de ziekmelding in 2014 door de gevolgde behandeling is afgenomen en dat in de aard en ernst van de persoonlijkheidsproblematiek en PTSS geen ernstige verslechteringen zijn ontstaan. Er bestaat geen twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 31 januari 2018 dat de in hoger beroep ingezonden brief van 30 november 2017 van psychiater Wauben geen nieuwe medische feiten bevat over de situatie van appellante rond de datum in geding.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in haar rapport van 29 juli 2015 gemotiveerd uiteengezet dat voor een urenbeperking anders dan voor 40 uur per week en

8 uur per dag geen reden is. Een urenbeperking op preventieve gronden is niet nodig, omdat van een ziekte die meebrengt dat aan iemand grenzen moeten worden gesteld om overbelasting te voorkomen geen sprake is. Het hebben van een persoonlijkheidsstoornis indiceert geen noodzaak tot extra bedrust of extra recuperatie en het misbruik van middelen evenmin. Er is geen sprake van een verminderde beschikbaarheid door een intensieve behandeling die meerdere dagdelen per week in beslag neemt. Ook op energetische gronden is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden voor een urenbeperking, omdat een persoonlijkheidsstoornis en het middelenmisbruik geen medisch ziektebeeld is dat gepaard gaat met energieverlies. Dat de PTSS leidt tot verminderde vermogens in het persoonlijk en sociaal functioneren is duidelijk, maar tot ernstige stoornissen in de cognitieve en affectieve functies heeft dat niet geleid. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is onvoldoende om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Dat appellante slecht sliep, nachtmerries had en medicijnen gebruikte, waaronder medicatie met een sedatief effect, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij haar beoordeling betrokken. Het standpunt dat een urenbeperking uit preventief oogpunt nodig is, is tegenover het gemotiveerd ingenomen standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende onderbouwd. Ter zitting is verder bevestigd dat appellante op de datum in geding alleen in behandeling was bij Brijder. In het verhandelde ter zitting wordt eveneens een bevestiging gezien van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat deze behandeling niet dermate intensief was dat deze een urenbeperking op grond van beperkte beschikbaarheid rechtvaardigde.

4.4.

Uit de medische informatie van de behandelaars, waaronder die van Brijder, blijkt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de vaststelling van de mogelijkheden en beperkingen van appellante van onjuiste of onvolledige informatie is uitgegaan over de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. Daaruit blijkt ook niet dat de behandelaars vinden dat appellante geen werkzaamheden kan verrichten, meer beperkingen heeft of daarover een duidelijk andere mening hebben dan de verzekeringsartsen. Er is daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.B. Kleiss en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) Y. Azirar

SSa