Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
16/2211 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de echtgenoot in staat moet worden geacht de huishoudelijke taken verdeeld over de week en in eigen tempo te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2211 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 februari 2016, 15/5481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)

Datum uitspraak: 5 september 2018

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 18 oktober 2017 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2017:3616).

Bij brief van 27 november 2017 heeft het college de Raad bericht over de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven.

Namens appellante heeft mr. M.S. Kerkhof-Pöttger bij brief van 19 december 2017 een reactie ingezonden.

Het college heeft daarop bij brief van 26 januari 2018 gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden. Hij voegt hieraan het volgende toe.

1.1.

In de brief van 27 november 2017 heeft het college verwezen naar nader onderzoek, ingesteld door medisch adviseur P.J. Willemsen-Lamoré waarover op 14 november 2017 is gerapporteerd. Deze adviseur heeft de zorg- en ondersteuningstaken van de echtgenoot geïnventariseerd, te weten helpen met eten en drinken, de thuiszorg bellen bij een ongelukje, toezicht bieden, boodschappen doen, de was doen en het eten klaar maken. De medisch adviseur heeft beoordeeld of de echtgenoot in staat is om naast de zorgtaken de huishoudelijke verzorging van de leefeenheid over te nemen. De medisch adviseur is tot de conclusie gekomen dat de echtgenoot daartoe in staat moet worden geacht als hij het huishouden verdeeld over de week doet. Er is geen aanleiding om te denken aan (dreigende) overbelasting van de echtgenoot. De echtgenoot heeft ook niet aangegeven dat hij door overbelasting niet aan de huishoudelijke taken toekomt, maar dat hij deze niet kan doen omdat hij voor schoonmaakwerk is afgekeurd.

1.2.

Appellante heeft in de brief van 19 december 2017 aangevoerd dat de zorgtaken van de echtgenoot in het verslag van 14 november 2017 niet volledig zijn weergegeven en dat het vervullen van die taken veel tijd kost. De medische situatie van appellante is onderschat. CIZ heeft inmiddels vastgesteld dat appellante ernstig beperkt is in de sociale redzaamheid, de zelfzorg en het bewegen en verplaatsen. Zij is volledig rolstoelafhankelijk en aangewezen op geplande en ongeplande zorg. Zij is niet in staat om tijdig te alarmeren en aangewezen op

24 uur zorg in de nabijheid. Zij is aangewezen op intensieve begeleiding, verzorging en verpleging. Zij ontvangt ongeveer 3 uur per dag hulp van derden en vanaf november 2015 dagbesteding. Voor de echtgenoot resteert 15,5 uur per dag om voor appellante te zorgen, zodat niet kan worden volgehouden dat bij de echtgenoot geen sprake is van overbelasting.

1.3.

Het college heeft in zijn brief van 26 januari 2018 een nader rapport van de medisch adviseur van 16 januari 2018 ingezonden. De medisch adviseur schrijft daarin dat partijen niet van mening verschillen dat de echtgenoot veel voor appellante doet en dat appellante ernstig beperkt is. Bij de beoordeling of van de echtgenoot gebruikelijke zorg kan worden gevergd moet echter worden gekeken of sprake is van (dreigende) overbelasting. Daarvan is geen sprake bij de echtgenoot. Dit staat los van de hoeveelheid taken die de echtgenoot voor appellante doet.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De Raad stelt voorop dat de periode in geding in dit geval loopt van 31 oktober 2014 tot 16 juni 2015.

2.2.

Het college heeft het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek toereikend hersteld. De medisch adviseur heeft de zorg- en ondersteuningstaken van de echtgenoot in kaart gebracht en geconcludeerd dat hij in staat is om de huishoudelijke verzorging van de leefeenheid, naast de zorgtaken voor appellante, verspreid over de dag en over de week, over te nemen. Zij heeft geen aanknopingspunten voor (dreigende) overbelasting van de echtgenoot kunnen vaststellen. Dat de echtgenoot daadwerkelijk in staat is om huishoudelijke taken over te nemen vindt bevestiging in het dossier. Daaruit blijkt dat de echtgenoot 3 of 4 maal per week de was doet, dat hij het eten verzorgt en dat hij in huis kleine klusjes voor zijn rekening neemt. Appellante heeft geen contra-expertise overgelegd waaruit blijkt dat de echtgenoot medisch wordt overbelast als hij de huishoudelijke taken overneemt. Gelet hierop zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de medisch adviseur. Dat de echtgenoot is afgekeurd voor schoonmaakwerk in dienstbetrekking betekent niet dat hij niet de gewone huishoudelijke taken van een leefeenheid zou kunnen doen.

2.3.

Uit 2.2 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenoot in staat moet worden geacht de huishoudelijke taken verdeeld over de week en in eigen tempo te verrichten.

2.4.

Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldig onderzoek berust. Gelet op de medische advisering in hoger beroep en wat is overwogen onder 2.2 en 2.3 heeft het college het bij de tussenuitspraak vastgestelde gebrek in het bestreden besluit hersteld. Omdat eerst in hoger beroep een afdoende onderzoek en deugdelijke motivering heeft plaatsgevonden is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zullen in stand worden gelaten.

3. Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. Deze worden voor rechtsbijstand begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.252,50 in hoger beroep, in totaal € 2.254,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 juni 2015;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 juni 2015 in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.254,50;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018.

(getekend) R.M. van Male

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

LO