Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2719

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
17/3147 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Onduidelijke woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3147 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 maart 2017, 16/1618 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 4 september 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E. Martinez Linnemann, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Martinez Linnemann. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Flapper.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, nu basisregistratie personen (BRP) sinds 9 oktober 2010 ingeschreven op het adres

[adres] . Appellant ontving in de periode van 10 april 2015 tot en met 7 juni 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Nadien heeft appellant inkomen uit arbeid ontvangen.

1.2.

Op 23 november 2015 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de PW ingediend. Appellant heeft daarbij opgegeven dat hij woont op het onder 1.1 genoemde adres (opgegeven adres). Bij besluit van 22 december 2015 is aan appellant een voorschot verstrekt van € 475,-. Naar aanleiding van de aanvraag om bijstand heeft op 22 december 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en een inkomensconsulent van de gemeente Almere. Tijdens dit gesprek heeft appellant onder andere een verklaring afgelegd over zijn woon- en leefsituatie. Naar aanleiding van deze verklaring en het aantal personen dat in de BRP op het opgegeven adres stond ingeschreven, terwijl daar volgens de verklaring van appellant alleen een woonkamer en één slaapkamer aanwezig was, heeft het college een onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben een bijzonder controleur en een sociaal rechercheur van het team Handhaving, afdeling Werk en Inkomen van Sociale Zaken van de gemeente Almere (bijzonder controleur en sociaal rechercheur) in de periode van 8 tot en met 13 januari 2016 waarnemingen verricht in de nabijheid van het opgegeven adres en getracht op 12 januari 2016 op dit adres een huisbezoek af te leggen. Omdat op aanbellen niet werd gereageerd is een brief gedeponeerd in de brievenbus waarin appellant werd uitgenodigd voor een gesprek op 13 januari 2016. Appellant is op dit gesprek verschenen en heeft wederom een verklaring afgelegd. Aansluitend aan dit gesprek hebben de bijzonder controleur en de sociaal rechercheur een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 januari 2016.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

21 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 maart 2016 (bestreden besluit), de aanvraag om bijstand af te wijzen en het aan appellant verstrekte voorschot van € 475,- terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie en aldus de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen. Appellant heeft op 22 december 2015 en 13 januari 2016 over zijn woon- en leefsituatie wisselende verklaringen afgelegd en wat appellant heeft verklaard komt niet overeen met wat tijdens het huisbezoek op 13 januari 2016 is aangetroffen. Zo heeft appellant verschillende verklaringen afgelegd over zijn medebewoners, zijn zussen, op het opgegeven adres. Op 22 december 2015 heeft appellant verklaard dat hij op het opgegeven adres woont met zijn zussen [naam 1] en [naam 2] . Op 13 januari 2016 heeft appellant verklaard dat hij met zijn zussen [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] woont. Verder heeft appellant op

22 december 2015 verklaard dat zijn kleren in een doos of opgestapeld in de woonkamer staan, zijn papieren in een ladekast in de woonkamer liggen en zijn shampoo, douche- en scheerspullen in de douche staan. Op 13 januari 2016 heeft appellant verklaard dat hij in de woonkamer op een matras of op de bank slaapt en dat hij die nacht op een matras met een kussen zonder sloop en een witte deken heeft geslapen. Tijdens het huisbezoek is echter geconstateerd dat aan appellant gerichte poststukken in een kartonnen doos lagen. Verder heeft appellant tijdens het huisbezoek te kennen gegeven dat hij de verzorgingsspullen van zijn zussen gebruikt. Voorts heeft appellant tijdens het huisbezoek uitsluitend vijf joggingbroeken, een korte blauwe broek, vier shirts, een trui, een vest en een overhemd kunnen tonen en geen ondergoed of sokken. In de woonkamer werd bij het huisbezoek een eenpersoonsmatras aangetroffen met een zwart dekbedovertrek en een kussensloop met verschillende kleuren. De geringe hoeveelheid persoonlijke spullen van appellant die tijdens het huisbezoek zijn aangetroffen valt niet te rijmen met zijn standpunt dat hij al sinds

9 oktober 2010 woont op het opgegeven adres. De enkele omstandigheid dat appellant lange tijd gokverslaafd is geweest en hij de huissleutels heeft kunnen tonen, is onvoldoende om zijn woon- en leefsituatie aannemelijk te maken. De verklaring van de drie zussen van

18 maart 2016 waarin zij verklaren dat appellant bij hen woont, leidt niet tot een ander oordeel omdat dat niet wegneemt dat hij daarover tegenstrijdig heeft verklaard. Appellant heeft ter zitting gesteld dat hij door het hele onderzoek overrompeld was, maar dat vormt geen toereikende verklaring voor de tegenstrijdige verklaringen die hij over zijn woonsituatie heeft afgelegd. Dat de Afdeling Burgerzaken van de gemeente Almere bij brief van 1 april 2016 aan hem heeft meegedeeld dat inmiddels voldoende duidelijkheid is verkregen over het woonadres van appellant en hij in de BRP op dit adres ingeschreven blijft staan, vormt evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij is van belang dat uit vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) volgt dat het antwoord op de vraag waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de BRP. Naar het oordeel van de rechtbank is de woon- en leefsituatie van appellant in de te beoordelen periode, die loopt van 23 november 2015 tot en met 21 januari 2016, dusdanig onduidelijk dat het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode, welke loopt van 23 november 2015 tot en met 21 januari 2016, zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld komt wat appellant op

22 december 2015 en 13 januari 2016 heeft verklaard over zijn woon- en leefsituatie voor het merendeel overeen met wat er tijdens het huisbezoek op 13 januari 2016 feitelijk in de woning is aangetroffen. Dat appellant wisselend heeft verklaard over welke zussen in de te beoordelen periode ook op het opgegeven adres woonden, kwam omdat hij destijds verward was. Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank het belang van de in beroep overgelegde brief van 1 april 2016 van de Afdeling Burgerzaken van de gemeente Almere heeft miskend. Dat de gemeente enerzijds erkent dat appellant woonachtig is op het door hem opgegeven adres en dat het college hem anderzijds tegenwerpt dat dit in het kader van een aanvraag om bijstand niet het geval is, is in strijd met het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2 weergegeven overwegingen, waarop dat oordeel rust. Appellant, op wie als aanvrager de bewijslast rust, heeft ook in hoger beroep geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de door de rechtbank geconstateerde tegenstrijdigheden en de onduidelijkheid over de woonsituatie op het opgegeven adres. De rechtbank heeft daarbij terecht betekenis gehecht aan het feit dat appellant op dit adres al vanaf 2010 stond ingeschreven. Dat appellant destijds verward was en bij stress niet kon antwoorden, zoals hij ter zitting bij de Raad heeft aangevoerd, is niet met stukken onderbouwd en vindt ook geen steun in de verslagen die zijn opgemaakt van zijn verklaringen. De Raad voegt aan het oordeel van de rechtbank nog toe dat uit de brief van

1 april 2016 van de Afdeling Burgerzaken van de gemeente Almere kan worden afgeleid dat op 18 januari 2016 is gemeld dat de adresgegevens van appellant niet juist zijn en dat de Afdeling Burgerzaken van de gemeente Almere naar aanleiding van die melding een onderzoek heeft verricht. Uit de brief van 1 april 2016 kan niet worden afgeleid in welke periode dit onderzoek is verricht en waaruit het onderzoek heeft bestaan. Evenmin kan uit deze brief worden afgeleid dat appellant in de te beoordelen feitelijk op het opgegeven adres verbleef.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2018.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) P.C. de Wit

LO