Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
17/644 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking. Verzwegen onroerend goed in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 644 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 december 2016, 16/4076 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 28 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2018. Namens appellante is verschenen mr. Vreeswijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Sinds 8 juni 2000 ontving appellante bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet, naar de norm van een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme schriftelijke mededeling dat appellante in Turkije twee woningen heeft, heeft een sociaal rechercheur van de Afdeling Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, registers geraadpleegd en het Internationaal Bureau Fraude - informatie (IBF) verzocht om onderzoek te doen naar mogelijk bezit van onroerende zaken van appellante in Turkije. Dit onderzoek is uitgevoerd door een medewerker van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara (Bureau Attaché). De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 maart 2015. In het rapport is vermeld dat appellante in de registraties van de afdeling onroerend goed belasting van de gemeente [gemeente] voorkomt. In 99 van de 100 soortgelijke gevallen betekent dit dat betrokkene een actieve of passieve belastingplichtige is in verband met onroerend goed. Omdat de afdeling onroerend goed belasting noch het kadaster van de gemeente [gemeente] medewerking verleende, is het niet mogelijk geweest om naar de inhoud van deze registratie onderzoek te doen. Bij het onderzoek zijn twee tapu senedi betrokken, waaruit blijkt dat de eigendom van een appartement in de wijk [wijk 1] op 13 augustus 2004 aan appellante is overgedragen en dat een appartement in de wijk [wijk 2] op 5 augustus 2010 aan appellante is overgedragen. Tijdens een buurtonderzoek in de wijk [wijk 1] heeft de medewerker van het Bureau Attaché gesproken met de eigenaar van een reisbureau, dat zich onderin het appartementencomplex bevindt. Deze verklaarde dat hij appellante kent en dat het klopt dat zij daar een appartement bezit. Het appartement op de laatste verdieping is van haar. Zij logeert daar, zo verklaarde hij, wanneer zij in [gemeente] is. Bij het appartement in de wijk [wijk 2] werd opengedaan door een vrouw die verklaarde daar te wonen. Verder verklaarde zij dat [naam] ( [X] ) de eigenaar is en dat hij, voor zover zij weet, de tweede eigenaar van het appartement is. Hij had haar verteld dat hij het appartement van zijn zus heeft gekocht. [X] komt daar in de zomer met zijn familie. Een lokale makelaar heeft het appartement in [wijk 1] op 11 maart 2015 getaxeerd op een bedrag van € 39.000,- en het appartement in [wijk 2] op een waarde van € 42.000,- en per 2010 het laatstgenoemde appartement op

€ 47.960,-. Vervolgens heeft de sociaal rechercheur appellante op 9 december 2015 gehoord. Appellante heeft toen onder meer verklaard dat de appartementen van haar zoon, onderscheidenlijk van haar broer zijn. Appellante heeft de appartementen destijds op haar naam laten zetten omdat haar zoon en haar broer de appartementen niet op hun naam konden laten registreren. Ook heeft zij verklaard dat het juist is dat beide appartementen nog steeds op haar naam staan. De sociaal rechercheur heeft de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 6 januari 2016.

1.3.

Bij besluit van 10 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van

1 december 2015 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante eigenaar is van twee appartementen in Turkije. Daardoor beschikte zij over vermogen boven de voor haar vrij te laten vermogensgrens. Door hiervan geen melding te maken aan het college heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat zij geen recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 december 2015, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 10 december 2015, de datum van het besluit tot intrekking bijstand.

4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Gelet daarop heeft de rechtbank in dit geval - en anders dan appellante stelt - terecht overwogen dat het college aannemelijk dient te maken dat appellante de eigendom had van de twee appartementen in Turkije.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante de appartementen in de te beoordelen periode in eigendom had.

4.4.

Met de bevindingen uit het IBF-onderzoek, de twee tapu senedi en de verklaring van appellante tegenover de sociaal rechercheur, inhoudende dat zij de desbetreffende appartementen op haar naam heeft laten zetten en dat het juist is dat beide appartementen nog steeds op haar naam staan, heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode eigenaar was van de twee appartementen.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat de twee tapu senedi die zich in het dossier bevinden geen officiële afschriften van het origineel zijn dan wel dat de originele tapu senedi niet aan de medewerkers van het IBF zijn getoond. Deze beroepsgrond slaagt niet. De in het dossier aanwezige afschriften van de tapu senedi hebben de gebruikelijke vorm en bevatten een stempel, naam en handtekening van de bewaarder van het eigendomsregister. De enkele omstandigheid dat het college niet heeft kunnen aangeven hoe het in het bezit is gekomen van de twee tapu senedi vormt geen aanleiding om aan de inhoud van deze twee tapu senedi te twijfelen. Het ontbreken van een pasfoto op de twee tapu senedi maakt die tapu senedi niet minder betrouwbaar omdat een tapu senedi niet altijd de pasfoto van de verkrijger bevat, zie de uitspraak van 2 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2944. Voorts is van belang dat de in 4.4 aangehaalde verklaring van appellante in overeenstemming is met de inhoud van de twee tapu senedi.

4.6.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt, dat, ondanks het feit dat zij de appartementen in eigendom heeft, deze geen bestanddeel vormen van het vermogen waarover zij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.7.

Vaststaat dat appellante het college niet (onverwijld) heeft gemeld dat zij de appartementen in eigendom had. Omdat het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze gegevens van invloed konden zijn op (de omvang van) haar recht op bijstand, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De beroepsgrond van appellante dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden slaagt dan ook niet.

4.8.

De beroepsgrond dat het college ten onrechte het recht op bijstand per 1 december 2015 heeft ingetrokken omdat gegevens ontbreken waaruit blijkt dat de appartementen op die datum nog haar eigendom waren, slaagt evenmin. Daarbij is van belang dat uit de twee tapu senedi blijkt dat appellante het appartement in [wijk 2] vanaf 2004 en het appartement in [gemeente] vanaf 2010 in eigendom heeft. Zij heeft op 9 december 2015 zelf verklaard dat de appartementen nog op haar naam stonden.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2018.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) C.A.E. Bon

rh