Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:271

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
15/7655 WW-T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:7422, Overig
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is sprake van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Ontslagnemen vereist een daarop gerichte wil, die zich door een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring of gedraging heeft geopenbaard. Van een verklaring als hier omschreven, is geen sprake geweest. Ook in gedrag van appellant kan geen wil tot beëindiging arbeidsovereenkomst worden gezien. Bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/70
SZR-Updates.nl 2018-0011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7655 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 oktober 2015, 14/7278 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Appellant en
mr. Van Baren zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 7 november 2011 voor de duur van een half jaar in dienst getreden van [naam werkgeefster] B.V. (werkgeefster). De arbeidsovereenkomst is daarna stilzwijgend voortgezet. Nadat op 18 oktober 2012 onder werkgeefster loonbeslag was gelegd, heeft appellant op 21 november 2012 een ontslagbrief geschreven en is hij zijn werkzaamheden voor werkgeefster gaan verrichten via [naam onderneming] , een in Duitsland gevestigde onderneming. Aan de constructie met [naam onderneming] is per 1 juli 2013 een einde gekomen. Appellant is daarna zijn werkzaamheden op de gebruikelijke wijze blijven voortzetten. Op 4 oktober 2013 heeft appellant zijn werkzaamheden gestaakt, omdat hij vanaf juli 2013 geen of onvoldoende loon zou hebben ontvangen. Appellant heeft nadien niet meer gewerkt. Hij heeft op 6 januari 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 16 april 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van 7 oktober 2013 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Dit besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 7 oktober 2014 (bestreden besluit). Het Uwv heeft mede op basis van informatie van werkgeefster het standpunt ingenomen dat het staken van de werkzaamheden door appellant moet worden gezien als een ontslagname en dat die ontslagname niet was gerechtvaardigd, omdat geen sprake was van zodanige omstandigheden dat voortzetting van het dienstverband niet van appellant kon worden gevergd. Naar de mening van het Uwv vormt een geschil over de hoogte van het salaris geen reden om ontslag te nemen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank achtte het gerechtvaardigd dat appellant (kort voor) 7 oktober 2013 zijn werkzaamheden voor werkgeefster heeft opgeschort, maar was tevens van oordeel dat hij zich weer beschikbaar had moeten stellen voor zijn werkzaamheden toen werkgeefster hem het toekomende loon alsnog uitbetaalde. Door ervoor te kiezen om niet meer op het werk te verschijnen is appellant naar het oordeel van de rechtbank verwijtbaar werkloos geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat zijn arbeidsrechtelijke positie onduidelijk was, wat onder meer blijkt uit het feit dat de betalingen van werkgeefster ‘uit coulance’ aan hem werden gedaan, terwijl geen overwerk en vakantiegeld werd uitbetaald. Appellant meent dat hem niet kan worden verweten dat hij op een gegeven moment niet meer naar het werk is gegaan. Van verwijtbare werkloosheid is volgens hem geen sprake.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting heeft het Uwv ter toelichting van het bestreden besluit naar voren gebracht dat de houding en het gedrag van appellant wijzen op een ontslagname, nu hij op 4 oktober 2013 is gestopt met zijn werkzaamheden, sindsdien geen contact meer heeft gehad met werkgeefster, geen poging heeft gedaan om het conflict over het loon op te lossen en zich niet meer beschikbaar heeft gesteld, waarbij voor appellant leidend is geweest dat hij geen dienstverband meer wilde, teneinde het loonbeslag te ontlopen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

4.1.2.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering blijvend geheel ter zake van het niet nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uwv de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over ten hoogste 26 weken.

4.2.

Het Uwv is ervan uitgegaan dat appellant met ingang van 7 oktober 2013 verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van dat artikellid moet allereerst worden beoordeeld of de dienstbetrekking van appellant is beëindigd door of op verzoek van hem.

4.3.

Ontslagnemen vereist een daarop gerichte wil, die zich door een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring of gedraging heeft geopenbaard. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, waaronder het mogelijk verlies op aanspraak op een WW-uitkering (zie het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387). Van een verklaring als hier omschreven, is geen sprake geweest. Appellant heeft zijn werkzaamheden immers op 4 oktober 2013 gestaakt zonder werkgeefster daarvan op de hoogte te stellen en zonder haar te informeren over de redenen om niet op het werk te verschijnen. Ook in het gedrag van appellant kan geen wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden gezien. Het niet verschijnen op het werk op zich kan niet zonder meer worden gezien als een duidelijke en ondubbelzinnige gedraging die erop is gericht de beëindiging van de dienstbetrekking te bewerkstelligen. Uit de brief van appellant van 27 oktober 2013 aan werkgeefster, waarin hij stelt bedragen aan loon en vakantiegeld van werkgeefster tegoed te hebben, blijkt evenmin dat appellant de dienstbetrekking heeft willen beëindigen.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat niet gezegd kan worden dat appellant ontslag heeft genomen. Dit betekent dat niet voldaan is aan de in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW genoemde voorwaarde dat de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van appellant. Nu het Uwv daarvan ten onrechte is uitgegaan, berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering.

5. De Raad ziet aanleiding het Uwv opdracht te geven om met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 7 oktober 2014 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) N. Veenstra

IvR