Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
17/3414 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een reguliere WW-uitkering. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat tussen [naam 1] en hem een gezagsverhouding bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3414 WW

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 maart 2017, 16/6164 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.S. Dunant Maurits, advocaat, hoger beroep ingesteld, aanvullende stukken ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het Uwv heeft een verweerschrift en aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dunant Maurits. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 27 februari 2014 is [BV 1] ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, met als bevoegd functionaris [naam 1] . Op 27 oktober 2014 is [BV 1] opgericht. Op 28 oktober 2014 is Yolo ingeschreven in het handelsregister, met als enig bestuurder en aandeelhouder

[naam 1] .

1.2.

Op 6 januari 2015 is [BV 1] failliet verklaard. Bij brief van 15 januari 2015 heeft de curator de arbeidsovereenkomst van appellant met [BV 1] opgezegd voor zover vereist.

1.3.

Appellant heeft naar aanleiding van het faillissement van [BV 1] zowel een aanvraag voor een reguliere uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) als een aanvraag voor een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW (faillissementsuitkering) gedaan. Appellant heeft daarbij een document overgelegd met als opschrift “ARBEIDSOVEREENKOMST”, waarin als ondergetekenden worden vermeld [naam 1] als vertegenwoordiger van [BV 1] en appellant en als plaats en datum van ondertekening [gemeente] ,
30 mei 2014 met daaronder twee handtekeningen van de werkgever en de werknemer.

1.4.

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een faillissementsuitkering afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een reguliere WW-uitkering afgewezen.

1.6.

Het bezwaar van appellant tegen de in 1.4 en 1.5 genoemde besluiten is bij beslissing op bezwaar van 30 juli 2015 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant geen werknemer was in de zin van de WW.

1.7.

Bij uitspraak van 21 april 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland (zaaknummer: LEE 15/3433) het beroep tegen het besluit van 30 juli 2015 gegrond verklaard vanwege strijd met het motiveringsbeginsel, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust.

1.8.

Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de onder 1.4 en 1.5 genoemde besluiten opnieuw ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant bij [BV 1] niet heeft gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst, omdat het element gezagsverhouding ontbrak. Het Uwv heeft in het bestreden besluit verwezen naar de bevindingen van de curator, zoals neergelegd in de faillissementsverslagen van 24 februari 2015, 11 juni 2015 en

7 oktober 2015 en de verklaring die Wursten op 26 maart 2015 heeft afgelegd tegenover twee themaonderzoekers van het Uwv.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom op basis van onderzoeksresultaten de conclusie is getrokken dat tussen [naam 1] en appellant geen gezagsverhouding bestond. Zo heeft de curator verwezen naar een verklaring van [naam 1] dat hij al eerder wilde stoppen, maar dat dit kennelijk niet werd toegestaan. Verder is de curator uit diverse gesprekken met betrokkenen gebleken dat [BV 1] feitelijk werd bestuurd door appellant. Ook zijn er bankopnames gedaan van in totaal € 70.000,-, waarvan de curator heeft aangenomen dat de feitelijk bestuurder die heeft verricht. [naam 1] heeft tegenover het Uwv verklaard dat appellant samen met [naam 2] de leiding had van [BV 1] en dat hijzelf alleen maar hand- en spandiensten heeft verricht. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij niets te vertellen had over de wijze waarop het bedrijf werd geleid, de financiën, het aannemen van personeel en de contracten van leveranciers. Wat appellant daar tegenover heeft gesteld heeft de rechtbank als ontkenningen gekwalificeerd, die de rechtbank als onvoldoende heeft aangemerkt om de onderzoeksresultaten van het Uwv ter zijde te kunnen stellen. Appellant heeft geen objectief verifieerbare stukken ingebracht die zijn stellingen onderbouwen. Hierdoor is er ten minste blijvende onduidelijkheid omtrent zijn rol binnen [BV 1] . Omdat het hier een aanvraagsituatie betreft, blijft dit voor rekening en risico van appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er wel een gezagsverhouding bestond tussen [naam 1] en hem. Hij heeft daarbij verwezen naar de in 1.3 genoemde arbeidsovereenkomst. Ter (verdere) onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep een artikel uit het magazine [magazine] , afdrukken van Whatsappgesprekken en afdrukken van e-mails overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar 6.1 van de aangevallen uitspraak. Voor het algemene beoordelingskader voor het al dan niet aanwezig zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt verwezen naar 6.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Naar partijen ter zitting hebben beaamd, verschillen zij uitsluitend van mening over het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding tussen appellant en Wursten en behoeven de overige voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking geen bespreking.

4.3.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betreft het hier een aanvraagsituatie, zodat het in beginsel op de weg van appellant ligt om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht heeft op de uitkeringen die hij wenst te ontvangen.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen [naam 1] en hem een gezagsverhouding bestond. De overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.5.1.

De door appellant overgelegde arbeidsovereenkomst zou op 30 mei 2014 zijn ondertekend door appellant en [naam 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [BV 1] . [naam 1] heeft echter zowel tegenover de themaonderzoekers van het Uwv als tegenover de curator verklaard dat de handtekening onder diverse door [BV 1] getekende overeenkomsten niet van hem is. De handtekening op de arbeidsovereenkomst komt ook niet overeen met de handtekening van [naam 1] op de met [BV 2] gesloten overeenkomsten, waarvan vaststaat dat [naam 1] die heeft geplaatst, en met de handtekening van [naam 1] onder zijn verklaring tegenover het Uwv van 26 maart 2015. Onder deze omstandigheden kan aan de arbeidsovereenkomst niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan wenst te hechten.

4.5.2.

De afdrukken van Whatsappgesprekken tussen appellant en [naam 1] , die volgens appellant een aanwijzing vormen voor het bestaan van een gezagsverhouding, zijn door appellant pas in hoger beroep overgelegd en appellant heeft eerder in de procedure ook geen melding gemaakt van het bestaan hiervan. Dat is opmerkelijk, omdat, zo daar na de beslissing op bezwaar van 30 juli 2015 bij hem nog onduidelijkheid over bestond, in ieder geval vanaf het moment waarop hij kennis had genomen van het bestreden besluit duidelijk had kunnen en moeten zijn dat het cruciale punt in deze zaak was of tussen hem en [naam 1] sprake was geweest van een gezagsverhouding. Gelet daarop had het voor de hand gelegen de afdrukken met voortvarendheid in de procedure in te brengen. Daar komt bij dat appellant bij zijn aanvullende gronden van 2 juni 2017 afdrukken van Whatsappgesprekken heeft overgelegd met data gelegen in de periode van 28 mei 2015 tot en met 10 juni 2015. Bij brief van
9 juli 2018 heeft hij afdrukken van dezelfde Whatsappgesprekken overgelegd, echter nu met data gelegen in de periode van 28 mei 2014 tot en met 10 juni 2014. Appellant heeft ter verklaring hiervan ter zitting te kennen gegeven dat zijn gemachtigde hem erop had gewezen dat de gesprekken niet konden dateren van 2015, omdat [BV 1] toen al failliet was en er geen activiteiten meer werden ontplooid. Appellant heeft toen, zo heeft hij verklaard, geconstateerd dat zijn telefoon op de verkeerde datum stond, dit gecorrigeerd en nieuwe afdrukken gemaakt. Als reden waarom hij pas onlangs – vier jaar na dato – zou hebben geconstateerd dat zijn telefoon op de verkeerde datum stond, heeft hij genoemd dat het een oude telefoon betrof die hij niet meer gebruikte en die hij heeft opgezocht om de oude Whatsappgesprekken te achterhalen. Gelet op het tijdstip in de procedure waarop appellant afdrukken van Whatsappgesprekken heeft ingebracht, hetgeen hiervoor is overwogen over de datering daarvan en de door appellant daarvoor gegeven verklaring, kan ook aan de afdrukken van Whatsappgesprekken niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan wenst te hechten.

4.5.3.

Voor de door appellant overgelegde e-mails geldt net als voor de afdrukken van Whatsappgesprekken dat het opmerkelijk is dat appellant deze niet in een eerder stadium van de procedure heeft ingebracht. Voorts heeft een deel van de e-mailwisselingen betrekking op afspraken tussen appellant en klanten en leveranciers. Voor zover het gaat om

e-mailwisselingen tussen appellant en [naam 1] kan daaruit niet het bestaan van een gezagsverhouding worden afgeleid. Deze e-mails kunnen ook wijzen op een bepaalde onderlinge taakverdeling respectievelijk het elkaar op de hoogte houden van bepaalde relevante zaken zonder dat er sprake is van een gezagsverhouding. Tegen de achtergrond van de door de Raad onderschreven overwegingen van de rechtbank en hetgeen in 4.5.1 en 4.5.2 is overwogen over de door appellant overgelegde arbeidsovereenkomst en afdrukken van Whatsappgesprekken kan niet worden gezegd dat appellant de onduidelijkheid over zijn rol binnen [BV 1] heeft weggenomen en het bestaan van een gezagsverhouding tussen [naam 1] en hem aannemelijk heeft gemaakt.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en C.C.W. Lange en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) S.L. Alves

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

SSa