Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
17/6215 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepschrift bevatte geen gronden, ook niet binnen de vier weken, gegeven om verzuim te herstellen. Discretionaire bevoegdheid rechtbank om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op alle feiten en omstandigheden heeft de rechtbank het beroep in redelijkheid niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Geen terugwijzing. Vanaf eind 2013 verrichtte appellant opdrachten als zelfstandige. In verband daarmee is de WW-uitkering met ingang van 4 december 2013 volledig beëindigd. Appellant heeft daarom per 1 oktober 2016 zijn werkzaamheden in de zelfstandige uitoefening van een beroep niet volledig beëindigd. Op grond van artikel 8, derde lid, van de WW is daarom herkrijging van de hoedanigheid van werknemer niet mogelijk. Een gedeeltelijke herkrijging, zoals appellant voorstaat, is op grond van deze bepaling niet mogelijk. Uwv heeft terecht geweigerd de WW-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2016 voort te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/414
NJB 2018/1664
AB 2018/396 met annotatie van R. Ortlep
JB 2018/178
RSV 2018/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6215 WW

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2017, 17/1620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft het Uwv geweigerd om de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) – waarvoor appellant met ingang van 1 mei 2013 in aanmerking was gebracht en die per 2 december 2013 was beëindigd omdat appellant (volledig) werkzaam was als zelfstandige – met ingang van 1 oktober 2016 voort te zetten.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Appellant heeft op 9 maart 2017 pro-forma beroep ingediend en verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van beroep. De rechtbank heeft appellant bij aangetekende brief van 10 maart 2017 verzocht om binnen vier weken na de datum van verzending van die brief de gronden van beroep in te dienen. De termijn om gronden van beroep in te dienen liep af op 7 april 2017. Appellant heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Op 12 april 2017 heeft de rechtbank telefonisch contact gezocht met appellant naar aanleiding van het uitblijven van de gronden en de mogelijke verschoonbaarheid daarvan. Vervolgens heeft de rechtbank diezelfde dag de gronden van beroep van appellant ontvangen. Dit is evenwel buiten de gestelde termijn. Appellant heeft bij brief – door de rechtbank op
12 april 2017 ontvangen – gronden ingediend en aangevoerd dat hij gedurende de periode voor het indienen van de beroepsgronden onder meer bezig is geweest met de afwikkeling van de nalatenschap van zijn vader, de verhuizing van zijn moeder naar een verpleeghuis, het leeghalen en de verkoop van het ouderlijk huis en solliciteren en dat door deze privéomstandigheden de beroepstermijn erbij is ingeschoten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit voor appellant een roerige tijd zal zijn geweest, zijn dit geen omstandigheden die het te laat indienen van het beroep verontschuldigbaar maken. Appellant had bijvoorbeeld ook een ander om hulp kunnen vragen bij het tijdig indienen van de gronden of had in de haast ingediende gronden op een later moment nader kunnen aanvullen. Dat de beroepstermijn erbij ingeschoten is, is vervelend, maar komt voor rekening en risico van appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op 12 april 2017 is gebeld door de griffie van de rechtbank met de vraag of het juist is dat de gronden niet tijdig zijn ontvangen. Appellant heeft dat bevestigd en uitgelegd door welke omstandigheden hij de gronden nog niet had ingediend. De medewerkster van de griffie heeft gezegd dat deze omstandigheden genoeg reden gaven om het beroep alsnog in behandeling te nemen als hij de gronden diezelfde dag nog zou indienen. Dezelfde dag heeft appellant de gronden ingediend en de rechtbank heeft het beroep in behandeling genomen. Vijf dagen uitbreiding van de termijn heeft het Uwv niet geschaad in haar verweer en het Uwv heeft ook niet aangevoerd te zijn benadeeld. De gevolgen van de niet-ontvankelijkheid voor appellant staan niet in verhouding tot het doel van termijnen in de wet, namelijk dat binnen een redelijke termijn een procedure wordt behandeld en afgerond. De rechtbank heeft de termijnoverschrijding dan ook ten onrechte niet verschoonbaar geacht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Uit jurisprudentie van de Raad (onder andere de uitspraak van 17 januari 2006, ECLI:CRVB:2006:AV0578) kan worden afgeleid dat de wet geen aanknopingspunten biedt voor een belangenafweging dat het Uwv door de geringe termijnoverschrijding niet in haar verweer is geschaad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.

Artikel 4 van de Procesregeling bestuursrecht 2013 luidt:

1. De rechtbank verlengt een door haar gestelde termijn slechts in uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom binnen die termijn schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.
2. De rechtbank deelt haar beslissing op het verzoek om uitstel aan verzoeker mee binnen één week na ontvangst van dit verzoek.
3. Indien de rechtbank een verzoek om uitstel inwilligt, geeft zij aan de verzoeker een nadere termijn van ten hoogste vier weken na de verzending van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.
4. De rechtbank wijst een volgend verzoek om verlenging van een gestelde termijn dat betrekking heeft op dezelfde aangelegenheid in beginsel af.

4.3

Artikel 10 van de Procesregeling bestuursrecht 2013 luidt voor zover van belang:

1. Indien de rechtbank vaststelt dat sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt zij de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen vier weken te herstellen. In de brief vermeldt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

4.4.

Artikel 8:115 van de Awb luidt voor zover van belang:

1. De hoger beroepsrechter wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hoger beroepsrechter deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank, onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep (…).

4.5.

Artikel 8:116 van de Awb luidt:

In de gevallen, bedoeld in artikel 8:115, eerste lid, onderdeel a, kan de hoger beroepsrechter de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien deze naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.

4.6.

Vaststaat dat het beroepschrift geen gronden bevatte, dat appellant bij brief van
10 maart 2017 in de gelegenheid is gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen, dat hij niet binnen deze termijn heeft verzocht om verlenging van de termijn en dat hij binnen deze termijn geen beroepsgronden heeft ingediend. De rechtbank was daarom op grond van artikel 6:6 van de Awb bevoegd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Deze bepaling geeft, anders dan uit de in 3.2 genoemde uitspraak van 17 januari 2006 kan worden afgeleid, aan de rechtbank een discretionaire bevoegdheid om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren (zie de uitspraken van de Raad van 8 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5060, 8 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO9413 en 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1580).

4.7.

Vaststaat dat een medewerkster van de griffie van de rechtbank op 12 april 2017 telefonisch contact met appellant heeft opgenomen naar aanleiding van het ontbreken van de gronden. Appellant heeft diezelfde dag beroepsgronden ingediend en een brief met uitleg waarom hij de gronden niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend. Hij refereert hierbij aan het telefoongesprek met de griffiemedewerkster. De Raad heeft gelet op de inhoud van deze brief en de toelichting van appellant ter zitting geen reden om te twijfelen aan zijn verklaring dat de griffiemedewerkster hem heeft gezegd dat het beroep in behandeling zou worden genomen als hij de gronden dezelfde dag nog zou indienen. De procedure is vervolgens voortgezet, waarbij het Uwv een verweerschrift heeft ingediend en de zaak ter zitting is behandeld. In het verweerschrift is gereageerd op de beroepsgronden en ook ter zitting is de zaak – nadat de kwestie van de ontvankelijkheid is besproken en met dit voorbehoud van de rechter – inhoudelijk behandeld. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft de rechtbank het beroep in redelijkheid niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

4.8.

Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.
Er is aanleiding de zaak zonder terugwijzing af te doen omdat deze geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Daarbij is van belang dat de zaak ter zitting inhoudelijk met partijen is besproken. Over de inhoud van de zaak wordt als volgt overwogen.

4.9.

Appellant is met ingang van 1 mei 2013 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, gebaseerd op een gemiddeld aantal uren van 40 uur per week en met een maximale duur tot en met 29 februari 2016. Bij besluit van 4 december 2013 is de uitkering met ingang van 2 december 2013 beëindigd omdat appellant had doorgegeven dat hij volledig werkte als zelfstandige. Op 19 september 2016 heeft appellant verzocht de WW-uitkering voor 32 uur te laten herleven en daarbij aangegeven dat hij voor 8 uur werkt als ZZP’er. Bij besluit van 10 oktober 2016 is appellant meegedeeld dat hij per 1 oktober 2016 geen WW-uitkering kan krijgen, omdat de WW-uitkering alleen kan herleven wanneer de werkzaamheden als zelfstandige geheel en definitief beëindigd zijn. Bij het bestreden besluit is dit standpunt gehandhaafd, waarbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 8 december 1992, ECLI:NL:CRVB:1992:AK9784.
4.10. Appellant heeft aangevoerd dat per 1 oktober 2016 zijn laatste opdracht als ZZP’er afliep en dat hij op dat moment nog lid was van de Raad van Commissarissen van een zorginstelling, een betaalde functie die hij als zelfstandige uitvoerde. In verband hiermee heeft hij, hoewel de werkzaamheden voor de Raad van Commissarissen feitelijk minder dan 8 uur per week in beslag namen, verzocht de WW-uitkering voor 32 uur per week te laten herleven. Door het voortzetten van deze werkzaamheden beoogde appellant zijn kansen als 55-jarige werkzoekende te vergroten. De strikte toepassing van de WW door het Uwv, waardoor hem het recht op WW vanaf 1 oktober 2016 geheel is onthouden, kan niet de bedoeling zijn van de wetgever. Appellant is per 1 februari 2017 benoemd als lid van de Raad van Toezicht van een welzijnsorganisatie, welke functie hij niet gekregen zou hebben als hij geen deel zou uitmaken van de Raad van Commissarissen bij de zorginstelling. Per 17 april 2017 is appellant benoemd tot directeur van een opleidingsorganisatie. Hij verzoekt op grond van een redelijke interpretatie van artikel 8, derde lid, van de WW, een WW-uitkering toe te kennen van 32 uur per week van 1 oktober 2016 tot 17 april 2017.

4.11.

Op grond van artikel 130z van de WW zijn, nu de eerste werkloosheidsdag van appellant is gelegen voor 1 juli 2015, de bepalingen van hoofdstuk II van de WW van toepassing zoals die voor die datum luidden. Op grond van artikel 20, eerste lid, onder a, van de WW, zoals dit destijds luidde, eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer de hoedanigheid van werknemer verliest. Artikel 21, eerste lid, van de WW, zoals dit destijds luidde, bepaalt voor zover van belang dat indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, het recht op uitkering herleeft met inachtneming van de in artikel 8 genoemde termijnen.

4.12.

Artikel 8, eerste lid, van de WW luidde tot 1 januari 2015:

Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

4.13.

Artikel 8, eerste lid van de WW luidt met ingang van 1 januari 2015:

Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd, behalve als die werkzaamheden worden aangemerkt als vrijwilligerswerk.

4.14.

Artikel 8, tweede lid, van de WW luidde tot 1 januari 2015:

Een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, herkrijgt bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien de werkzaamheden worden beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de uitkeringsduur, danwel binnen anderhalf jaar, indien de uitkeringsduur korter is dan anderhalf jaar.

4.15.

Artikel 8, tweede lid, van de WW luidt met ingang van 1 januari 2015:

In afwijking van het eerste lid behoudt een persoon de hoedanigheid van werknemer voor zover het aantal uren in een kalenderweek waarop hij de werkzaamheden uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd, niet hoger is dan het gemiddeld aantal uren per kalenderweek waarop hij deze werkzaamheden verrichtte in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het moment waarop de werkzaamheden in dienstbetrekking, waaruit de werknemer werkloos is geworden, eindigden.

4.16.

Met ingang van 1 januari 2015 is artikel 8, tweede lid, van de WW vernummerd tot derde lid en luidt:

Een persoon, wiens werknemerschap geheel of gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, herkrijgt bij volledige beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien de werkzaamheden worden beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de uitkeringsduur, dan wel binnen anderhalf jaar, indien de uitkeringsduur korter is dan anderhalf jaar.

Blijkens de Memorie van Toelichting wordt in deze bepaling duidelijker dan voorheen tot uitdrukking gebracht dat slechts indien de werkzaamheden in eigen bedrijf of zelfstandige uitoefening van een beroep volledig worden beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de resterende uitkeringsduur de hoedanigheid van werknemer wordt herkregen (Kamerstukken II 2013-2014, 33988, nr. 3, blz. 19).

4.17.

Met ingang van 1 januari 2015 luidt artikel 8, vijfde lid, van de WW als volgt:

Een persoon, wiens werknemerschap geheel of gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden, waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd, niet zijnde werkzaamheden als bedoeld in het derde of vierde lid, herkrijgt bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer.

De Memorie van Toelichting bij deze bepaling (Kamerstukken II 2013-2014, 33988, nr. 3, blz. 20) vermeldt:

“Met de aanpassing van het vijfde lid wordt voorgesteld om de WW-uitkering van een persoon die niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden verricht die niet vallen onder het tweede of vierde lid (overige niet-verzekeringsplichtige arbeid), als het ware ‘mee te laten bewegen’ met de uren waarin die werkzaamheden worden verricht. Dergelijke werkzaamheden zijn werkzaamheden die niet in dienstbetrekking, maar ook niet in eigen bedrijf worden verricht. De aanpassing van het voormalige vierde (nu vijfde) lid is mede ingegeven doordat het uitvoeringsbeleid van het Uwv over de wijze waarop aan artikel 8 in de praktijk uitvoering wordt gegeven is doorkruist door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX4015). Op grond van het huidige uitvoeringsbeleid van het Uwv kan het werknemerschap gedeeltelijk herkregen worden in situaties waarin sprake is van werkzaamheden buiten dienstbetrekking (overige niet-verzekeringsplichtige arbeid). In de uitspraak van de CRvB van 8 augustus 2012 wordt door de CRvB bepaald dat het gedeeltelijk herleven van het werknemerschap op grond van artikel 8, vierde lid, niet mogelijk is. De CRvB zoekt feitelijk aansluiting bij het bepaalde in artikel 8, tweede lid. Dat artikellid geeft aan dat het (volledig) hergeven van werknemerschap alleen mogelijk is indien iemand geheel en definitief stopt met de werkzaamheden buiten dienstbetrekking. Deze toepassing is echter beleidsmatig ongewenst. Het verrichten van overige niet-verzekeringsplichtige arbeid (wat ook kan gaan om zeer kleine, tijdelijke opdrachten) wordt hierdoor namelijk behoorlijk ontmoedigd. Immers, elk gewerkt uur wordt dan blijvend gekort op de WW-uitkering, terwijl er een prikkel zou moeten zijn voor mensen om zoveel mogelijk te werken.”

4.18.

Over de verhouding tussen artikel 8, derde en vijfde lid, zoals deze met ingang van

1 januari 2015 luidden, vermeldt de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2015-2016, 34528, nr. 3, blz. 20):

“Het eerder aangehaalde gemaakte onderscheid tussen werkzaamheden als zelfstandige en andere niet verzekeringsplichtige werkzaamheden is nog wel gerechtvaardigd voor wat betreft de herkrijging van het werknemerschap. Het derde en vijfde lid zijn daarom aangepast.”

4.19.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad over artikel 8 van de WW, zoals dat voor 1 januari 2015 luidde (zie naast de in 4.9 genoemde uitspraak bijvoorbeeld de uitspraken van 3 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI8261, en 13 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2725), kan in een situatie waarin het recht op WW-uitkering is beëindigd wegens werkzaamheden als zelfstandige, het werknemerschap slechts worden herkregen en daarmee het recht op
WW-uitkering herleven, indien de werkzaamheden als zelfstandige geheel en definitief zijn beëindigd. Dit is in artikel 8, derde lid, van de WW, zoals dat met ingang van 1 januari 2015 luidt, explicieter tot uitdrukking gebracht.

4.20.

De regeling voor de herkrijging van werknemerschap in artikel 8, vijfde lid, van de WW, zoals dat met ingang van 1 januari 2015 luidt, heeft betrekking op werkzaamheden die niet als werknemer worden verricht en ook niet in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep (zogenoemde overige niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden).

4.21.

Appellant verrichtte vanaf eind 2013 opdrachten als zelfstandige. In verband daarmee is de WW-uitkering met ingang van 4 december 2013 volledig beëindigd. Niet in geschil is dat appellant, nadat per 1 oktober 2016 een opdracht was afgerond, vanaf die datum werkzaam bleef als lid van de Raad van Commissarissen van een zorginstelling. Appellant heeft verklaard dat dit een betaalde functie was die hij als zelfstandige uitvoerde. Gelet hierop zijn deze werkzaamheden verricht in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Appellant heeft daarom per 1 oktober 2016 zijn werkzaamheden in de zelfstandige uitoefening van een beroep niet volledig beëindigd. Op grond van artikel 8, derde lid, van de WW is daarom herkrijging van de hoedanigheid van werknemer niet mogelijk. Een gedeeltelijke herkrijging, zoals appellant voorstaat, is op grond van deze bepaling niet mogelijk. Uit de per 1 januari 2015 aangebrachte wijzigingen in artikel 8 van de WW blijkt dat de wetgever een gedeeltelijke herkrijging alleen mogelijk acht bij vermindering van werkzaamheden die niet als zelfstandige of in eigen bedrijf worden verricht, waarvoor in het vijfde lid een regeling is getroffen.
4.22. Het Uwv heeft terecht geweigerd de WW-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2016 voort te zetten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van het door appellant in hoger beroep betaalde
    griffierecht (€ 124,-).

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) N. Veenstra

SSa