Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
16/4167 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering AIO-aanvulling. Beschikking over appartement in Turkije. De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Geen discriminatoir onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4167 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

13 mei 2016, 15/6657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Als tolk is verschenen A. Kabaktepe. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 december 2009, in aanvulling op een onvolledig ouderdomspensioen van de Svb, bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW)

in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

De Svb voert in de periode 2013 tot en met 2019 gefaseerd een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de AIO-aanvulling van alle AIO-gerechtigden. Hiertoe worden jaarlijks ruim 7.000 AIO-gerechtigden het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” (formulier) toegestuurd. De controle was in 2013 gericht op in Suriname geboren

AIO-gerechtigden, in 2014 op AIO-gerechtigden met als geboorteland Marokko, in 2015 op AIO-gerechtigden die in Turkije zijn geboren en van 2016 tot en met 2018 is de controle gericht op de overige in het buitenland geboren AIO-gerechtigden. In 2019 richt de controle zich op de in Nederland geboren AIO-gerechtigden. Elk jaar wordt de controlegroep aangevuld met een kleine steekproef onder specifieke delen van het klantenbestand. In 2013 bestond de onderzochte groep naast de ruim 7.000 AIO-gerechtigden met een Surinaamse achtergrond, uit 200 AIO-gerechtigden met een Marokkaanse en 200 met een Turkse achtergrond. De Svb heeft steeds na het toesturen van het formulier nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de verleende AIO-aanvulling van AIO-gerechtigden die het formulier niet hadden teruggestuurd, alsmede van AIO-gerechtigden die het formulier wel hadden teruggestuurd en het formulier daartoe aanleiding gaf. Criteria voor vervolgonderzoek bij laatstgenoemde categorie AIO-gerechtigden waren onder meer een lang verblijf in het land van herkomst en het bestaan van, dan wel onduidelijkheden over een opgegeven verblijfadres in het land van herkomst.

1.3.

In het kader van het onder 1.2 vermelde rechtmatigheidsonderzoek heeft de Svb aan appellant het formulier toegestuurd. Op het formulier heeft appellant te kennen gegeven geen vermogen in Turkije te bezitten. Tevens heeft appellant op dit formulier opgave gedaan van een verblijf in Turkije in de periode van 25 juni 2013 tot en met 25 september 2013 op het adres [adres 2], Turkije. In het kader van het vervolgonderzoek hebben

twee handhavingsmedewerkers van de Svb op 12 november 2013 een huisbezoek op het adres van appellant afgelegd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een naderhand, op

3 december 2014, opgemaakte handhavingsrapportage van 3 december 2014. Tijdens dit huisbezoek heeft appellant te kennen gegeven dat wat hij heeft opgegeven op het hiervoor vermelde formulier nog onverkort van toepassing is. Tijdens het huisbezoek is met toestemming van appellant een foto gemaakt van het paspoort met het daarin vermelde

TC Kimliknummer. Vervolgens heeft in opdracht van de Svb en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Attaché) onderzoek verricht naar eventueel vermogen van appellant in Turkije. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport vermogensonderzoek van 9 oktober 2014.

1.4.

Uit het onder 1.3 vermelde rapport vermogensonderzoek blijkt dat een medewerker van het Bureau Attaché een bezoek heeft gebracht aan de afdeling onroerende zaakbelastingen van de gemeente [wijk]. Uit de aldaar verkregen informatie blijkt dat op naam van

appellant aangifte onroerende zaakbelasting is gedaan met betrekking tot drie appartementen op het adres [Adres] (appartementen) met verwervingsdatum 27 oktober 1998. Voorts blijkt dat op naam van de op 5 december 2012 overleden echtgenote van appellant, [naam U] (U), aangifte is gedaan met

betrekking tot twee stukken land in de wijk [naam wijk] met als verwervingsdatum

31 december 1998. Tot slot blijkt uit gegevens van het kadaster van de stad [stad] dat appellant geregistreerd staat als eigenaar van drie percelen landbouwgrond, van vier halve aandelen van percelen landbouwgrond, een half aandeel van een perceel tuinbouwgrond alsmede een half aandeel van een huis in het dorp [wijk]. In dit dorp staan op naam van U zes percelen landbouwgrond geregistreerd en een aandeel van een houten huis op een perceel. De vastgestelde waarde voor de gemeentelijke belastingen voor wat betreft de appartementen in [wijk] bedraagt € 35.048,- en voor wat betreft de onroerende zaken op naam van appellant in [wijk] op € 2.280,-.

1.5.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluiten

van 10 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2015

(bestreden besluit), het recht op AIO-aanvulling van appellant met ingang van

1 december 2009 in te trekken en de over de periode van 1 december 2009 tot en met augustus 2014 ten onrechte uitbetaalde AIO-aanvulling van appellant terug te vorderen

tot een bedrag van in totaal € 11.022,75. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant en U de beschikking hadden over onroerende zaken in Turkije. Door hiervan geen melding te maken kan het recht op de AIO-aanvulling vanaf 1 december 2009 niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Mandatering

4.1.

De enkele niet onderbouwde stelling van appellant dat de ondertekenaar van het bestreden besluit hiertoe niet bevoegd zou zijn geweest, geeft de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan deze bevoegdheid. Appellant had op zijn minst ter onderbouwing van zijn stelling de betreffende mandaatregeling bij de Svb kunnen opvragen om te zien of zijn stelling hout snijdt.

Onderzoek Svb

4.2.

Appellant voert voorts als meest vergaande grond aan dat de Svb de gegevens, die de feitelijke grondslag van het bestreden besluit vormen, heeft verkregen in strijd met het verbod van discriminatie als bedoeld in bijvoorbeeld artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. In dat kader heeft appellant aangevoerd dat niet bekend is op welke wijze de AIO-gerechtigden worden geselecteerd en of bij alle AIO-gerechtigden in Nederland op basis van het project een fraudeonderzoek is gedaan. Indien de Svb dit niet kan aantonen, is het fraudeonderzoek in strijd met genoemde bepalingen. Er bestond geen aanleiding (vermoeden) voor het verrichten van het fraudeonderzoek, zodat de onderzoeksbevindingen onrechtmatig zijn verkregen en dus niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd.

4.3.

Ingevolge artikel 53a van de PW in samenhang met artikel 47a, tweede lid, van de PW is de Svb bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Daarbij mag echter niet in strijd gehandeld worden met het discriminatieverbod, zoals onder meer opgenomen in artikel 14 EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Zie de uitspraken van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1228, 1229, 1230 en 1231.

4.4.

Een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland dient een legitiem doel. De Svb is in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing, en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van

sociale voorzieningen, bij het toepassen van de onder 4.3 genoemde algemene onderzoeksbevoegdheid een selectie uit het totale bestand van AIO-gerechtigden te maken, tenzij hierbij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen AIO-gerechtigden.

4.5.

Uit de beschikbare gegevens valt niet af te leiden dat de Svb bij de selectie van de

AIO-gerechtigden die in 2013 in het kader van de steekproef zijn aangeschreven, waaronder ook appellant, enig rechtens relevant onderscheid heeft gemaakt tussen verschillende

groepen AIO-gerechtigden. Zoals onder 1.2 is weergegeven, onderzoekt de Svb immers

in de periode van 2013 tot 2019 alle AIO-gerechtigden ongeacht het land van geboorte. Dat onderzoeksmiddelen in het buiten- en binnenland beperkt kunnen worden ingezet en door de Svb uit oogpunt van de beschikbaarheid van financiële middelen en capaciteitsmogelijkheden gekozen wordt voor een gefaseerde aanpak van het onderzoek op basis van de verschillende landen van herkomst van de AIO-gerechtigden, maakt het voorgaande niet anders. Anders dan appellant beoogt, is geen sprake van een vergelijkbare wijze van onderzoek, zoals aan de orde is in de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2481.

4.6.

Verder heeft appellant aangevoerd dat de Svb op onrechtmatige wijze het

TC Kimliknummer van appellant heeft verkregen en heeft gebruikt. Deze beroepsgrond

slaagt niet. De betreffende medewerkers hebben dit nummer tijdens het onder 1.3 genoemde huisbezoek met toestemming van appellant verkregen. Anders dan appellant heeft betoogd, hebben de medewerkers daarbij het doel van het opvragen van het Turkse identiteitsnummer niet hoeven te vermelden omdat, gelet op het verloop van het huisbezoek, waarbij het formulier en de daarop door appellant vermelde gegevens over onroerend goed in het buitenland met appellant is besproken, het opvragen van dit nummer geen ander doel kon dienen dan het verrichten van nader onderzoek naar eventueel vermogen van appellant in Turkije. Uit de gedingstukken blijkt voorts niet dat een ander dan de buitendienstmedewerker van het Bureau Attaché ten behoeve van dit onderzoek gebruik van dit nummer heeft gemaakt.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de Svb de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het rapport van 9 oktober 2014, aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Intrekking en terugvordering

4.8.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 december 2009 tot en met 10 december 2014.

4.9.

Appellant en zijn overleden echtgenote stonden in de te beoordelen periode in het kadaster van [stad] als (mede) eigenaar geregistreerd en in het OZB-register van [wijk] als belastingplichtige van de onder 1.3 genoemde onroerende zaken. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister, zoals het kadaster, op naam van een betrokkene staan genoteerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1500). Zoals is overwogen in de uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3136, wordt in Turkije voor de OZB de eigenaar van een onroerende zaak als belastingplichtige aangemerkt. Indien onroerende zaken in een register OZB op naam van een betrokkene staan genoteerd, is daarom eveneens de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In beide hiervoor genoemde situaties is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij en U ten onrechte zijn aangemerkt als (mede) eigenaren van de onder 1.3 genoemde onroerende zaken. De door appellant bij brief van 29 april 2015 overgelegde gegevens kunnen hiertoe niet dienen, alleen al nu deze gegevens, voor zover deze zien op het bezit van onroerende zaken in Turkije, geen betrekking hebben op het (mede) eigendom van appellant en U gedurende de te beoordelen periode.

4.10.

De Svb heeft de waarde van het vermogen van appellant in ieder geval op een minimale waarde van € 37.328,- kunnen vaststellen, daarbij uitgaande - wegens het in Turkije niet kunnen verkrijgen van gegevens van een daartoe bevoegd taxateur - van de belastingwaarde van de onder 1.3 op naam van appellant geregistreerde onroerende zaken. Gelet op vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1161) biedt deze belastingwaarde echter geen inzicht in de werkelijke economische waarde van de onroerende zaken van appellant ten tijde van het onderzoek van het Bureau Attaché. Evenmin bieden de OZB-gegevens inzicht in de waarde van de onroerende zaken op 1 december 2009 en de waardeontwikkeling in de te beoordelen periode. Appellant heeft hierover geen gegevens overgelegd.

4.11.

Gelet op 4.10 heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de beroepsgrond, dat bij de vaststelling van het vermogen van appellant rekening gehouden dient te worden met de vrijstelling van het in zijn woning in Turkije verbonden vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder d, van de PW, geen bespreking behoeft. Overigens wordt hierbij opgemerkt, onder verwijzing naar de uitspraak van 18 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2235, dat de door appellant beoogde vermogensvrijlating niet geldt voor een woning in Turkije.

4.12.

Appellant heeft zijn beroepsgrond dat de van hem teruggevorderde AIO-aanvulling onjuist is vastgesteld en berekend niet onderbouwd, zodat aan deze beroepsgrond voorbij wordt gegaan.

4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.M. Pasmans

LO