Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
17/1032 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De korpschef heeft niet aannemelijk gemaakt dat reeds voor 13 februari 2014 een besluit was genomen over de functie(beschrijving) van appellant. Met de rechtbank en de korpschef is de Raad van oordeel dat deze werkzaamheden passen binnen de functiebeschrijving van [functie 2]. De werkzaamheden hadden niet een dusdanig complex karakter dat zij de werkzaamheden genoemd in de functiebeschrijving van [functie 2] ontstegen. Het brengen van de feitelijk opgedragen werkzaamheden onder functiebeschrijving van [functie 2] kan niet als onhoudbaar worden aangemerkt. Redelijke termijn is met ruim vier maanden overschreden, geheel aan de korpschef toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1032 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 december 2016, 16/354 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 30 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. C .W. Tummers en F.J.H. Gunther.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De korpschef heeft desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt. Appellant heeft hierop gereageerd.

Bij brief van 12 april 2018 heeft appellant de Raad verzocht hem schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De korpschef heeft hierop gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen verklaard geen gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam als politieambtenaar bij de voormalige [regio] . Tot 1 februari 2012 vervulde hij laatstelijk de functie van [functie 1] , met als functiebeschrijving [functebeschrijving] . Vanaf 1 februari 2012 was appellant werkzaam als [functie 2] van de projecten [projecten] , die in mei 2012 zijn geïntegreerd. Hij voerde deze werkzaamheden in deeltijd uit.

1.2.

Bij besluit van 16 december 2013 is ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Bij brief van 13 februari 2014 heeft appellant de korpschef in gebreke gesteld wegens het achterwege blijven van het toekennen van een passende functiebeschrijving. Bij besluit van 26 februari 2014 heeft de korpschef appellant met ingang van 1 februari 2012 benoemd in de functie van [functie 2] , met als functiebeschrijving [functie 2] binnen de stafafdeling bedrijfsvoering. Het daartegen gerichte bezwaar van appellant, gedateerd 9 april 2014, is bij besluit van 13 augustus 2014 ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 oktober 2014 is de LFNP-functie gewijzigd en aangepast aan het besluit van 26 februari 2014.

1.3.

Bij uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:5747) heeft de rechtbank Limburg het beroep van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2014 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.

1.4.

Bij besluit van 28 december 2015 (bestreden besluit) heeft de korpschef opnieuw beslist op het bezwaar van appellant en het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat onder meer uit nieuw onderzoek, dat heeft plaatsgevonden op

23 september 2015, is gebleken welke werkzaamheden appellant heeft verricht. De functie van [functie 2] acht de korpschef passend bij die werkzaamheden. Inpassing in de door appellant gewenste functie van [functie 3] acht de korpschef dan ook niet aan de orde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is als volgt overwogen. Uit de gedingstukken blijkt onvoldoende duidelijk welke feitelijke werkzaamheden appellant heeft verricht in het kader van het project ‘ [project] ’. De rechtbank heeft partijen daarom opgedragen deze werkzaamheden te beschrijven. Aan deze opdracht is voldaan met het gespreksverslag van het op 25 juli 2016 gehouden gesprek tussen partijen. Naar het oordeel van de rechtbank is inpassing in de functie van [functie 2] in dit geval niet onhoudbaar. Niet kan worden geconcludeerd dat het project [project] een complex project was. Er was geen sprake van zogenaamde tegengestelde belangen en appellant was geen eindverantwoordelijke voor het project. Het gebrek, dat eerst tijdens de beroepsprocedure duidelijk is geworden welke feitelijke werkzaamheden appellant heeft verricht, heeft de rechtbank gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

De Raad stelt vast dat, nu met de invoering van het LFNP de korpsfuncties waren vervallen, het besluit van 26 februari 2014 om aan appellant een andere korpsfunctiebeschrijving toe te kennen niet meer aan de orde kan zijn. Gelet op de feitelijke besluitvorming ziet de Raad echter voldoende grond om het voorliggende hoger beroep van appellant niettemin te behandelen.

3.2.

De korpschef heeft betoogd dat uit de salarisspecificaties van appellant van vóór het onder 1.2 genoemde besluit van 26 februari 2014 reeds volgt dat was geweigerd om appellant te plaatsen in de door hem gewenste, hoger gewaardeerde functie van [functie 3] . Dit betoog slaagt niet. Uit de stukken valt slechts af te leiden dat partijen in oktober 2012 met elkaar in gesprek waren over het aanpassen van de functiebeschrijving van appellant. Naar aanleiding van de ingebrekestelling van appellant van 13 februari 2014 heeft de korpschef hierover een besluit genomen. De korpschef heeft niet aannemelijk gemaakt dat hierover reeds eerder een besluit was genomen.

3.3.

Appellant is van mening dat zijn werkzaamheden als [functie 2] onvoldoende zijn te herkennen in de functiebeschrijving van [functie 2] en meer in overeenstemming zijn met de functiebeschrijving van [functie 3] , die ziet op het opzetten van en leidinggeven aan complexe projecten in plaats van ‘gewone’ projecten. Volgens appellant was het project [project] een complex project. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank en de korpschef onjuiste criteria hebben aangelegd bij de beoordeling van de vraag of het project [project] complex was. Dat sprake moet zijn van tegengestelde belangen, werken binnen afgesproken kaders en eindverantwoordelijkheid om van een complex project te kunnen spreken, volgt volgens hem niet uit de functiebeschrijvingen van [functie 2] en [functie 3] .

3.4.

Uit de in het dossier voorhanden stukken, waaronder de gespreksverslagen van de korpschef en van appellant van het door hen gevoerde overleg op 25 juli 2016, komt naar voren dat de werkzaamheden van appellant als [functie 2] hoofdzakelijk betrekking hadden op het opbouwen en onderhouden van netwerken binnen en buiten de politie op verschillende niveaus, het organiseren van (voorlichtings)bijeenkomsten en werkbezoeken, het verzamelen en inventariseren van relevante informatie, het stimuleren en enthousiasmeren van mensen en het rapporteren over de voortgang van het project. Met de rechtbank en de korpschef is de Raad van oordeel dat deze werkzaamheden passen binnen de functiebeschrijving van [functie 2] . De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat zijn werkzaamheden een dusdanig complex karakter hadden dat zij de werkzaamheden genoemd in de functiebeschrijving van [functie 2] ontstegen. Verder is niet gebleken dat appellant

- zoals vermeld in de functiebeschrijving van [functie 3] - prestaties van toegewezen personeel heeft bijgehouden.

3.5.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het brengen van de feitelijk opgedragen werkzaamheden onder de functiebeschrijving van [functie 2] niet als onhoudbaar kan worden aangemerkt. Dit betekent dat het hoger beroep geen doel treft.

3.6.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft de korpschef in zijn reactie erkend dat de redelijke termijn is overschreden. Voor wat ieders aandeel in die overschrijding betreft, heeft hij zich aan het oordeel van de Raad gerefereerd.

3.7.

In een geval als dit, waarin de vernietiging door de rechtbank van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.

3.8.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de korpschef op 10 april 2014 van het eerste bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim vier maanden verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim vier maanden overschreden. De behandeling door de rechtbank heeft minder dan anderhalf jaar geduurd en behandeling door de Raad is binnen de termijn van twee jaar gebleven. Hieruit volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de korpschef is toe te rekenen. De door appellant geleden immateriële schade wordt vastgesteld op een bedrag van € 500,-, gelet op de rechtspraak dat in beginsel een vergoeding is gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het na de zitting gedane verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 250,50 (één punt, wegingsfactor 0,5) aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de korpschef tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een
bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 250,50.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en C.H. Bangma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) F. Dinleyici

IJ