Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
17/5136 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet met het oog op definitieve geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en een invaliditeitspercentage vast te stellen. Uit de anamnese volgt dat enkel sprake is van lustbeleving met behulp van Cialis en dat betrokkene incidenteel komt tot seksuele handelingen met een partner. Dit maakt dat betrokkene voldoet aan de criteria van klasse 2 en dat de indeling in klasse 0 geen stand houdt. Het besluit van 8 juni 2015 wordt herroepen voor zover het betreft de mate van invaliditeit met dienstverband. Uitgaande van klasse 2 voor de seksuele functie, dient de mate van invaliditeit met dienstverband alsnog te worden vastgesteld op 27,9% (afgerond 28%).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/5136 MPW, 17/6441 MPW

Datum uitspraak: 30 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

20 juni 2017, 16/9148 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 30 november 2017 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:4160) gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de staatssecretaris op 8 februari 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft hierop gereageerd bij brief van 16 april 2018.

De Raad heeft bepaald dat met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en naar zijn tussenuitspraak van

30 november 2017 (tussenuitspraak). De Raad volstaat met het volgende.

2.1.

De Raad heeft in zijn tussenuitspraak overwogen dat uit de verklaring van psychiater B van 6 januari 2015 en de brief van de huisarts van 12 oktober 2015 blijkt dat de behandelend psychiater de seksuele problematiek bij de behandeling van de posttraumatische stressstoornis (PTSS) als afzonderlijk probleem heeft gesignaleerd, de behandeling zich daartoe mede uitstrekt en betrokkene daarnaast van de huisarts medicatie (Cialis) krijgt voorgeschreven tegen verlies aan functioneren op seksueel gebied. Daarom kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesteld dat geen sprake is van een specifieke behandeling gericht op seksuele problematiek door een professioneel deskundige als bedoeld in het PTSS protocol. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de staatssecretaris dat geen sprake is van een specifieke behandeling geen stand kan houden.

2.2.

De Raad heeft voorts in zijn tussenuitspraak geoordeeld dat het nadere besluit van

20 september 2017, waarbij is herhaald dat geen sprake is van een specifieke behandeling en daarnaast het standpunt is ingenomen dat een causale relatie tussen de geclaimde seksuele problematiek en de dienstverbandaandoening PTSS niet is aangetoond, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Aan dit besluit is de brief van de verzekeringsarts van

15 september 2017 ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de Raad bevat de verklaring van psychiater B van 6 januari 2015 voldoende aanleiding om een causale relatie tussen de seksuele problematiek en PTSS aan te nemen. Bovendien is de bezwaarverzekeringsarts bij de beoordeling of er sprake was van een medicamenteuze behandeling op en rond de peildatum uitgegaan van een onjuiste peildatum. De staatssecretaris is dan ook opgedragen de gebreken in het besluit van 20 september 2017 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de staatssecretaris bij besluit van

8 februari 2018 het bezwaar van betrokkene andermaal ongegrond verklaard, waarbij de motivering van dit besluit toegespitst is op de indeling in klasse 0 van subrubriek 4

(seksuele functie). Aan dit besluit is de brief van de verzekeringsarts van 31 januari 2018 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts meent dat een misinterpretatie van de verklaring van psychiater B van 6 januari 2015 plaatsvindt. De verzekeringsarts stelt zich primair op het standpunt dat een causale relatie tussen de geclaimde seksuele problematiek en de dienstverbandaandoening geenszins is aangetoond, de van de huisarts ontvangen gegevens juist aangeven dat de erectiele disfunctie geen onderliggende psychische oorzaak heeft en uit de brief van psychiater B niet blijkt dat hij er van op de hoogte was dat reeds jaren vóór het optreden van de PTSS klachten sprake was van behandeling voor de seksuele klachten. Subsidiair stelt de verzekeringsarts zich op het standpunt dat rond en per peildatum geen sprake was van welke behandeling dan ook voor eventuele erectiele disfunctie, waardoor er geen beperking(en) in de subrubriek 4 aan de orde is (zijn). Tertiair stelt de verzekeringsarts zich op het standpunt dat met de medicamenteuze ondersteuning het functioneren op seksueel gebied zodanig is dat er geen aanleiding is om een hogere dan klasse 0 aan te nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de tussenuitspraak volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voorts volgt uit de tussenuitspraak dat het besluit van

20 september 2017 moet worden vernietigd.

4.2.

De Raad stelt vast dat, nu met het besluit van 8 februari 2018 niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van betrokkene, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:19,

eerste lid, en 6:24 van de Awb, zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

4.3.

De verzekeringsarts heeft in zijn brief van 31 januari 2018 met zijn primaire standpunt

in essentie volstaan met een herhaling van wat is verwoord in zijn brief van

15 september 2017. De Raad heeft in zijn tussenuitspraak reeds geoordeeld dat het standpunt dat geen sprake is van een specifieke behandeling gericht op seksuele problematiek geen stand kan houden en voorts dat voldoende aanleiding bestaat om een causale relatie tussen de seksuele problematiek en PTSS aan te nemen. Het primaire standpunt van de verzekeringsarts kan daarom niet worden gevolgd.

4.4.

Het subsidiaire standpunt kan evenmin worden gevolgd nu de verzekeringsarts bij zijn reactie niet heeft onderkend dat de Raad in zijn tussenuitspraak heeft geoordeeld dat op grond van de verklaring van psychiater B reeds een causale relatie moet worden aangenomen tussen de seksuele problematiek en de dienstverbandaandoening.

4.5.

De Raad volgt ten slotte het tertiaire standpunt van de verzekeringsarts dat klasse 0 in subrubriek 4 aan de orde is niet. Bijlage 1 van het PTSS Protocol beschrijft bij subrubriek 4 de activiteiten en de hierbij behorende functionele mogelijkheden en beperkingen, met name de lustbeleving, de vraag of enkele nader geduide seksuele handelingen worden verricht en de frequentie daarvan. Uit de anamnese, zoals weergegeven in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 4 juni 2015, blijkt dat betrokkene heeft verklaard dat hij één jaar geen tot weinig seks heeft gehad en dat hij hiervoor erectiepillen voorgeschreven heeft gekregen. De verzekeringsarts heeft in zijn brief van 31 januari 2018 vermeld dat de huisarts betrokkene op 11 juni 2014 en op 29 januari 2016 Cialis heeft voorgeschreven, dergelijke medicatie alleen en uitsluitend effect heeft als er sprake is van een normaal libido en in dit geval dan geen sprake is van verminderde lustbeleving. Hij vermeldt voorts dat bij de veronderstelling dat betrokkene één keer per maand de voorgeschreven medicatie inneemt, de frequentie veel hoger is dan voor de klasse 1 noodzakelijk is. De Raad overweegt dat voor het scoren van de beperkingen betrokkene bevraagd dient te worden op het functioneringsniveau conform het PTSS Protocol en dat dit niet in voldoende mate is terug te vinden in bovengenoemd rapport van de verzekeringsarts. In de brief van 31 januari 2018 heeft de verzekeringsarts vervolgens een aanname gedaan op basis van de voorgeschreven medicatie. Bovengenoemd rapport en de brief van 31 januari 2018 geven dan ook blijk van onvoldoende zorgvuldig onderzoek ter zake van subrubriek 4.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het besluit van 8 februari 2018 moet worden vernietigd.

5. De Raad ziet met het oog op definitieve geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en een invaliditeitspercentage vast te stellen. Uit de anamnese volgt dat enkel sprake is van lustbeleving met behulp van Cialis en dat betrokkene incidenteel komt tot seksuele handelingen met een partner. Dit maakt dat betrokkene voldoet aan de criteria van klasse 2 en dat de indeling in klasse 0 geen stand houdt. Het besluit van 8 juni 2015 wordt herroepen voor zover het betreft de mate van invaliditeit met dienstverband. Uitgaande van klasse 2 voor de seksuele functie, dient de mate van invaliditeit met dienstverband alsnog te worden vastgesteld op 27,9% (afgerond 28%).

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt het besluit van 20 september 2017;

  • -

    vernietigt het besluit van 8 februari 2018;

  • -

    herroept het besluit van 8 juni 2015 voor zover het betreft de mate van invaliditeit met dienstverband;

  • -

    stelt de mate van invaliditeit met dienstverband per 21 november 2014 vast op 28% en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 februari 2018;

  • -

    bepaalt dat van de staatssecretaris een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

LO