Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
16/5157 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4054, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant was eigenaar van een woning in Turkije in de periode in geding. De waarde van de woning overschreed in die periode de voor hem geldende vermogensgrens en appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te doen. De informatie van echtgenote biedt voldoende feitelijke grondslag voor het bestreden besluit. De hypotheekschuld van een onroerend goed in Nederland wordt voor 1/100 deel als schuld - van appellant tezamen met zijn echtgenote - bij de berekening van het vermogen van appellant betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5157 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 juni 2016, 16/302 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Turkije (appellant)

het dagelijks bestuur van uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 28 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Namens appellant is mr. Küçükünal verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de periode van 3 mei 2010 tot 17 mei 2011 (periode in geding) bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is gehuwd, maar heeft zijn echtgenote verlaten. De bijstand is op laatstgenoemde datum beëindigd wegens remigratie van appellant naar Turkije.

1.2.

Bij toekenning van de bijstand aan appellant heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat appellant en zijn echtgenote voor 1/100 deel eigenaar zijn van de door hun zoon op

27 juni 2008 aangekochte woning op het adres [adres]

(in [gemeente 1] ). Op deze woning rust een hypotheek van € 211.000,- waarvoor appellant en zijn echtgenote, evenals de zoon van appellant en diens echtgenote, hoofdelijk aansprakelijk zijn. De kosten van de hypotheek worden voldaan van een en/of-rekening op naam van appellant en zijn zoon, waarvoor de zoon maandelijks het voor de hypotheek te betalen bedrag op deze rekening stort.

1.3.

De echtgenote van appellant heeft zich op 29 augustus 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand. In het kader van het onderzoek naar deze aanvraag heeft zij opgegeven dat haar man een woning in Turkije in eigendom heeft. De echtgenote van appellant heeft op 11 november 2013 verschillende schriftelijke bescheiden ingeleverd, waaronder een eigendomsbewijs (tapu senedi) waaruit blijkt dat appellant sinds 27 juli 2006 eigenaar is van een woning in [gemeente 2] , [provincie] , perceel nr. [nummer] (woning) en een verklaring, ondertekend door appellant, waarin staat dat de woning uitsluitend aan hem toebehoort.

1.4.

Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van de door de echtgenote van appellant overgelegde gegevens Bureau Buitenland gevraagd onderzoek te doen naar het bezit door appellant van onroerende zaken in Turkije. Het onderzoek is in Turkije verricht door

Gürdal Law Office (Gürdal), van welk onderzoek op 3 april 2014 een rapport is opgemaakt. Uit dit rapport, voor zover van belang, volgt dat op naam van appellant in het Kadastraal Register van het district [district] de woning staat geregistreerd. Appellant heeft aan Gürdal een verklaring van een bouw- en vastgoedconsultant van 28 januari 2014 getoond, die als bijlage bij het onderzoeksrapport is gevoegd en waarin wordt verklaard dat de marktwaarde van de woning TL 65.500,- tot TL 68.500,- bedraagt.

1.5.

De onderzoeksbevindingen onder 1.3 en 1.4 hebben het dagelijks bestuur aanleiding gegeven om bij besluit van 14 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

4 december 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode in geding

in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 11.845,94 bruto terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van de woning. Gelet op de waarde van de woning, die omgerekend op 28 januari 2014 € 22.425,56 bedroeg, was er in de periode in geding sprake van overschrijding van de vermogensgrens, zodat appellant geen recht op bijstand had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.1.

Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding eigenaar was van de woning, dat de waarde van de woning in die periode de voor hem geldende vermogensgrens overschreed en dat appellant, door geen melding te doen bij het dagelijks bestuur van dit vermogen, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.2.2.

De onder 1.3 genoemde informatie die de echtgenote van appellant in het kader van haar aanvraag om bijstand aan het dagelijks bestuur heeft verstrekt en heeft onderbouwd met verifieerbare stukken, biedt voldoende feitelijke grondslag voor het bestreden besluit. De beroepsgronden van appellant die er op neer komen dat de onderzoeksresultaten door Gürdal onrechtmatig zijn verkregen en niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd, behoeven daarom geen beoordeling.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij in de periode in geding wel recht op bijstand had omdat gelet op de aanwezige schulden geen sprake was van een overschrijding van de vermogensgrens. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant gewezen op de

onder 1.2 genoemde hypotheekschuld. Omdat appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schuld, dient het dagelijks bestuur deze schuld in zijn geheel in mindering te brengen op de bezittingen van appellant en komt het vermogen van appellant uit op een negatief saldo.

4.4.

Het dagelijks bestuur heeft op dit punt het volgende standpunt ingenomen. De hypotheek is verstrekt voor de aankoop van de woning in [gemeente 1] . Omdat appellant - tezamen met zijn echtgenote - voor 1/100 deel eigenaar is van deze woning, moet de daar tegenover staande hypotheekschuld ook voor 1/100 deel als schuld - van appellant tezamen met zijn echtgenote - bij de berekening van het vermogen van appellant worden betrokken, derhalve voor een bedrag van € 2.110,-.

4.5.

Gelet op de onder 1.2 weergegeven omstandigheden, waarbij wordt aangetekend dat de onderlinge draagplicht tussen de eigenaren van de woning in [gemeente 1] in het kader van hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld niet bekend is, heeft het dagelijks bestuur voor de vaststelling van de daaruit voor appellant voortvloeiende schuld terecht aansluiting gezocht bij de eigendomsverhoudingen van de onroerende zaak die dient als zekerheidsstelling voor deze hypotheekschuld. Er zijn geen aanknopingspunten om voor de vaststelling van de schuld van een andere verhouding uit te gaan dan die geldt voor het eigendomsrecht van de woning in [gemeente 1] . Hieruit volgt dat de onder 4.3 opgenomen beroepsgrond niet slaagt.

4.6.

Uit 4.2 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.M. Pasmans

LO