Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
16/4468 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3851, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Niet gemelde werkzaamheden. Gewone verwijtbaarheid en recidive.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4468 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

26 mei 2016, 15/6254 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Namens appellante is mr. Haze verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 29 september 2005 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau van 13 februari 2015 dat appellante in december 2014 inkomsten van werkgever [BV] ( [BV] ) heeft ontvangen, heeft het college bij besluit van 25 februari 2015, voor zover hier van belang, appellante in de gelegenheid gesteld de gegevens betreffende deze inkomsten waaronder salarisspecificaties over te leggen.

1.3.

Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau van 13 maart 2015 dat appellante vanaf 16 januari 2015 inkomsten van werkgever [werkgever] heeft ontvangen, heeft een klantmanager van de gemeente Rotterdam appellante bij brief van 27 maart 2015 verzocht loonoverzichten van deze werkgever te overleggen.

1.4.

Appellante heeft bij e-mailbericht van 3 april 2015 verklaard dat zij in januari 2015 vijf dagen voor [werkgever] heeft gewerkt en dat zij de loonstrook van deze werkzaamheden heeft opgevraagd. Appellante heeft vervolgens een salarisspecificatie van [BV] van december 2014 en een salarisspecificatie van [werkgever] van januari 2015 overgelegd.

1.5.

Bij besluit van 22 april 2015 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante in de maanden december 2014 en januari 2015 herzien door de in die maanden ontvangen inkomsten in mindering te brengen op de bijstand en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 318,21 van appellante terug te vorderen.

1.6.

Bij besluit van 13 mei 2015 (besluit 2) heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 238,66. Daarbij is het college uitgegaan van een mate van verwijtbaarheid

van normale verwijtbaarheid en van recidive omdat aan appellante bij besluit van

22 november 2013 een boete was opgelegd.

1.7.

Bij besluit van 26 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren van appellante tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de aan appellante opgelegde boete.

4.2.

Op grond van artikel 18a van de PW legt het college een bestuurlijke boete op indien belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voor een weergave van de relevante wetgeving en beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat de tekst van artikel 18a van de PW en

van de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per

1 januari 2017 luiden, van toepassing is.

4.3.

Gelet op 1.2 tot en met 1.4 staat vast dat appellante in december 2014 en januari 2015 voor de werkgevers [BV] respectievelijk [werkgever] werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten waarvan zij eerst nadat hierom is verzocht in april 2015 de salarisspecificaties aan het college heeft overgelegd. Appellante heeft erkend dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet onverwijld uit eigen beweging melding te maken van deze werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten. Het college heeft dan ook aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van deze gedraging kan, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast. Het college was dan ook in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de PW een boete op te leggen.

4.4.

Het college is bij het bepalen van de hoogte van de boete terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Wat appellante heeft aangevoerd over de late ontvangst van de salarisspecificaties waardoor zij pas op een later moment in staat was informatie over haar precieze inkomsten door te geven, biedt geen steun voor het oordeel om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. De gestelde late ontvangst van de salarisspecificaties betekent immers niet dat appellante in december 2014 respectievelijk januari 2015 geen melding kon maken van de door haar in die maanden verrichte werkzaamheden en de daarvoor contant ontvangen inkomsten. De branche waarin appellante werkzaam was en het gegeven dat zij voor verschillende werkgevers, die verschillende werkwijzen hanteren bij de berekening van haar precieze inkomsten, werkzaam is geweest, maken evenmin dat appellante niet eerder dan nadat zij door het college met de inkomenssignalen was geconfronteerd melding had kunnen maken van de door haar in december 2014 en in januari 2015 verrichte werkzaamheden en de daarvoor contant ontvangen inkomsten. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij in dezelfde periode werkzaamheden bij een andere werkgever heeft verricht, terwijl het college ten aanzien van de inkomsten van deze andere werkgever, welke eveneens tot een herziening en terugvordering van de bijstand van appellante hebben geleid, geen boete heeft opgelegd. Uit de gedingstukken blijkt echter dat deze andere werkgever, anders dan de werkgevers

[BV] en [werkgever] , wel bekend was bij het college.

4.5.

Uitgaande van normale verwijtbaarheid en van recidive heeft het college de boete op juiste wijze vastgesteld. Dit betekent dat de aan appellante opgelegde boete evenredig is.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2018.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) F. Dinleyici

rh