Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
17/1584 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand in verband met onduidelijke woonsituatie. Uit verklaringen van appellant blijkt dat hij niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1584 PW

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 januari 2017, 16/2080 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. El Haddouchi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Haddouchi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 6 juli 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat sinds 7 juli 2015 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres).

1.2.

Bij brief van 10 september 2015 heeft een klantmanager van Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam appellant uitgenodigd om op 22 december 2015 - de klantmanager bedoelde kennelijk 22 september 2015 - te verschijnen om zijn mogelijkheden op het gebied van werk, arbeidsintegratie en participatie te bespreken. Omdat appellant op 22 september 2015 niet was verschenen, heeft de klantmanager appellant opnieuw uitgenodigd, deze keer voor een gesprek op 6 oktober 2015. Appellant is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Een handhavingsspecialist van de afdeling Controle van Handhaving Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar het rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist appellant bij brief van 26 oktober 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 27 oktober 2015. Appellant is ook op dit gesprek, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft het college vervolgens het recht op bijstand van appellant met ingang van 27 oktober 2015 opgeschort en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 29 oktober 2015. Op 29 oktober 2015 heeft appellant de handhavingsspecialist telefonisch meegedeeld dat hij de brieven van Werk en Inkomen pas de dag daarvoor had gezien, nadat hij zijn brievenbus had geleegd. Hij verklaarde dat hij niet in zijn eigen woning kon verblijven omdat hij zijn woning niet kon inrichten. Zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten was afgewezen en daarom verbleef hij bij zijn moeder. Appellant is vervolgens diezelfde dag verschenen op het gesprek. Na afloop van dit gesprek heeft de handhavingsspecialist, samen met een andere handhavingsspecialist, zowel op het uitkeringsadres als op het adres van de moeder van appellant een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 november 2015.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 6 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 februari 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 10 juli 2015 in te trekken. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen juiste informatie te verstrekken over zijn woonsituatie. Appellant heeft niet zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres. Ook kan niet worden vastgesteld dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het adres van zijn moeder. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 10 juli 2015 tot en met de datum van het intrekkingsbesluit, 6 november 2015.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, omdat dat gegeven voor de beoordeling van (de voorzetting) van het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van de schending niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht heeft op bijstand.

4.4.

De beroepsgrond dat appellant niet aan zijn verklaringen van 29 oktober 2015 kan worden gehouden, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Hierbij is van belang dat appellant concreet heeft verklaard over zijn feitelijke woon- en verblijfsituatie. Anders dan appellant heeft aangevoerd, maakt de vermelding in het rapport van 5 november 2015 dat appellant op enig moment heeft gezegd dat hij de verklaring niet zal tekenen, niet dat hij niet kan worden gehouden aan zijn tegenover de handhavingsspecialist afgelegde verklaringen. In het rapport van 5 november 2015 staat immers vermeld dat, nadat de handhavingsspecialist appellant aan het eind van het gesprek had uitgelegd dat het verblijf bij zijn moeder consequenties heeft voor zijn bijstand, appellant geïrriteerd verklaarde dat hij bezwaar zou aantekenen en dat hij de verklaring niet zou tekenen. Nadat de handhavingsspecialist hem nogmaals had uitgelegd dat het voor de bijstand van belang is waar iemand feitelijk verblijft, werd appellant rustig, waarna hem de verklaring is voorgelezen. Appellant heeft aan het slot van zijn verklaringen verklaard dat de handhavingsspecialist hem prettig heeft behandeld en geduld heeft getoond. Vervolgens heeft hij, na voorlezing van zijn verklaringen, volhard in zijn verklaringen en deze per pagina ondertekend.

4.5.1.

Appellant heeft op 29 oktober 2015 ten overstaan van de handhavingsspecialist verklaard dat hij niet in zijn woning kan verblijven, maar wel geregeld de post ophaalt. Hij heeft op dinsdag 27 oktober 2015 zijn post opgehaald en zag toen meerdere brieven, allemaal uitnodigingen van de DWI. Hij heeft zijn huurwoning op 26 juni 2015 gekregen, heeft er toen ongeveer twee weken op de grond onder een laken geslapen, wat niet langer ging. Omdat hij geen geld had om zijn woning verder in te richten, verbleef hij sinds toen bij zijn moeder, waar hij eet en slaapt en waar zijn dagelijkse kleding en ook zijn ondergoed ligt. Hij ziet zijn ex-vriendin gemiddeld twee keer in de week met de kinderen, soms spreken ze af in zijn nieuwe woning. Geconfronteerd met de informatie in zijn paspoort, waaruit blijkt dat hij van

13 september 2015 tot en met 11 oktober 2015 in Suriname heeft verbleven, heeft appellant verklaard dat hij dat niet heeft doorgegeven. Feit blijft wel dat hij niet in zijn eigen woning verblijft, maar in die van zijn moeder.

4.5.2.

Deze verklaring van appellant komt overeen met zijn eerdere telefonische verklaring van dezelfde dag dat hij niet in zijn eigen woning kan verblijven en daarom bij zijn moeder verblijft. Het na het gesprek op kantoor afgelegde huisbezoek aan de woning van appellant wijst niet eenduidig in een andere richting. Daaruit kan worden afgeleid dat appellant daar wel verbleef, maar niet dat hij zijn hoofdverblijf in die woning had. Appellant is tijdens het huisbezoek geconfronteerd met de waarneming van de handhavingsspecialisten dat de situatie in de woning anders was dan appellant had verklaard. De woning was niet leeg maar, in elk geval gedeeltelijk, ingericht, voorzien van enige voedingsmiddelen en met spullen en kleding van (voornamelijk) de ex-vriendin van appellant en zijn kinderen, voor een deel in vuilniszakken op de vloer. Het fornuis was niet aangesloten. Appellant heeft daarop verklaard dat hij de woning leeg vindt, dat hij wat er is aan inrichting voornamelijk bij het vuil heeft gevonden, dat de bank verrot is, de slang van het gasfornuis lek is, de woning niet bewoonbaar is, hij niet gewend is om zo te leven en voorts dat als de handhavingsspecialisten straks bij zijn moeder komen, zij kunnen zien wat hij bedoelt. In dit kader is ook van belang dat geen in gereedheid zijnde slaapplaats in de woning is aangetroffen, maar in de woonkamer twee bedbodems zonder bedombouw die rechtop stonden en in de slaapkamer een tweepersoonsmatras tegen de muur. In dit verband is verder van belang dat appellant in bezwaar heeft aangevoerd dat hij na enkele maanden nog steeds veel bij zijn moeder te vinden was en dat zijn moeder wel een internetaansluiting had en hij niet.

4.5.3.

De verklaring van appellant dat hij niet op het uitkeringsadres verblijft, vindt voorts steun in wat hij heeft verklaard tijdens het huisbezoek op het adres van zijn moeder. Aldaar troffen de handhavingsspecialisten eveneens een situatie aan, die niet overeenkwam met wat appellant eerder die dag op kantoor had verklaard. Appellant kon bij zijn moeder geen ondergoed tonen, terwijl hij had verklaard dat zijn ondergoed bij zijn moeder lag. Appellant had voorts verklaard dat hij bij zijn moeder op een matras op de grond slaapt, terwijl de handhavingsspecialisten op de kamer, waar appellant volgens zijn verklaring sliep, een bed voorzien van beddengoed hebben aangetroffen. Appellant heeft over de van zijn verklaring afwijkende situatie onder meer verklaard dat zijn moeder een bed had gekocht op marktplaats, dat hij al een week niet op het adres van zijn moeder had geslapen, dat zijn ondergoed wel in de was zou zijn, dat hij ‘ook nog’ in zijn woning slaapt en ‘toch ook’ op zijn eigen adres komt. De handhavingsspecialisten hebben ook zijn onder 3 weergegeven verklaring dat hij niet heeft verklaard alle dagen van de week bij zijn moeder te slapen, genoteerd. Ook deze verklaringen duiden, anders dan appellant stelt, niet op hoofdverblijf op het opgegeven adres.

4.5.4.

Tot slot is van belang dat appellant, hoewel hij vanaf 11 oktober 2015 niet meer in Suriname verbleef, ook niet heeft gereageerd op de aan het uitkeringsadres geadresseerde en op 26 oktober 2015 door de handhavingsspecialist in de brievenbus op het uitkeringsadres gedeponeerde oproepingsbrief van 26 oktober 2015 voor een gesprek op 27 oktober 2015.

4.6.

De beroepsgrond van appellant dat de handhavingsspecialisten onzorgvuldig hebben gehandeld door de verklaring van appellant ten tijde van beide huisbezoeken niet in concept op te nemen, kan appellant, wat daar verder van zij, niet baten, reeds omdat appellant niet heeft betwist dat hij tijdens die huisbezoeken heeft verklaard wat in 4.5.2 en 4.5.3 is vermeld. Overigens bevat het dossier, behalve een getypte weergave van de verklaringen die appellant tijdens de huisbezoeken heeft afgelegd, een, kennelijk ten tijde van de huisbezoeken opgemaakte, handgeschreven en door de beide handhavingsspecialisten geparafeerde weergave van die verklaringen. Anders dan appellant heeft betoogd, hebben de handhavingsspecialisten de verklaringen van appellant dus niet achteraf gereconstrueerd, maar ter plekke vastgelegd.

4.7.

Dat appellant, zoals uit zijn verklaringen ter zitting in hoger beroep zou kunnen worden afgeleid, in zijn verklaringen tegenover de handhavingsspecialist de situatie anders heeft voorgesteld om zijn belang bij bijzondere bijstand voor woninginrichting te onderstrepen, wordt niet gevolgd. Niet alleen is in de oproepbrief voor het gesprek op 29 oktober 2015 vermeld dat het college een onderzoek deed naar de rechtmatigheid van zijn uitkering, maar dat is aan het begin van het gesprek op die dag ook nog aan appellant meegedeeld, waarna appellant heeft verklaard dat te begrijpen.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Nu de woonsituatie van appellant onduidelijk is gebleven, kan niet worden vastgesteld of hij in deze periode recht had op bijstand.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2018.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) F. Dinleyici

rh