Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
16/4035 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van dat onderzoek. Inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen de geduide functies kan vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4035 WIA

Datum uitspraak: 29 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 mei 2016, 15/3502 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Namens appellant is verschenen mr. Meulenberg-ten Hoor. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als beheersmedewerker. Op 26 oktober 2011 heeft hij

zich ziek gemeld nadat hij bij een bedrijfsongeval een voetfractuur had opgelopen. Op 29 juli 2013 heeft hij een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Na zich aanvankelijk op het standpunt te hebben gesteld dat appellant niet verzekerd was voor de Wet WIA, heeft het Uwv bij besluit van 22 april 2015 vastgesteld dat appellant per einde wachttijd, 23 oktober 2013, niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 22 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van

appellant tegen het besluit van 22 april 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest en dat geen aanleiding bestaat de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant in twijfel te trekken. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die twijfel zaaien over de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Appellant is volgens de rechtbank medisch gezien in staat de geselecteerde functies te vervullen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft en dat hij in ieder geval niet fulltime kan werken omdat hij lichamelijk en psychisch fors beperkt is. Wegens een voetfractuur en een kneuzing van de rechterknie moeten volgens appellant meer beperkingen worden aangenomen op de aspecten staan, lopen, traplopen, klimmen, knielen en hurken. Zijn cognitieve en psychische klachten moeten leiden tot meer beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Ten slotte voert appellant aan dat de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijden. Daarbij wijst hij erop dat hij beperkt is in het langdurig dragen van werkschoenen.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er onvoldoende aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies daaruit. Geconcludeerd wordt dat met de rapporten van 16 maart 2015 van de verzekeringsarts en van 13 oktober 2015, 26 januari 2016 en 6 april 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk is onderbouwd hoe tot de vaststelling van de belastbaarheid van appellant is gekomen en waarom er geen aanleiding bestaat meer beperkingen aan te nemen. Uit de rapporten blijkt dat de verzekeringsartsen de oogproblematiek en de voet- en knieproblematiek hebben betrokken bij hun beoordeling en daartoe beperkingen hebben vastgesteld. Tevens is een aantal beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Over de voor het eerst in beroep geclaimde psychische en cognitieve klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat noch in de beschikbare rapporten van de verzekeringsartsen noch in de informatie van de behandelend sector deze klachten worden benoemd, dat appellant deze klachten ook zelf niet in de bezwaarprocedure naar voren heeft gebracht en dat daarom kan worden aangenomen dat deze klachten op de datum in geding tot weinig of geen belemmeringen leidden. Ter zitting is verklaard dat appellant niet onder behandeling is voor psychische klachten. Ook kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd in zijn gemotiveerde conclusie dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en dat appellant niet voldoet aan de in de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid genoemde indicaties voor het aannemen van een urenbeperking. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn stelling dat verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen niet onderbouwd met medische informatie. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit dan ook terecht onderschreven.

4.2.

Ook het oordeel van de rechtbank dat appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten, wordt onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 15 oktober 2015 en 10 april 2017 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen deze functies kan vervullen. Over het dragen van werkschoenen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 oktober 2015 toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn dat de werkschoenen orthopedisch niet passend gemaakt kunnen worden. Hiermee is voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, waarin het dragen van werkschoenen aan de orde is, te weten de functies magazijn, expeditiemedewerker en machinaal metaalbewerker, de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

Overigens wordt geoordeeld dat, in geval deze twee functies zouden vervallen, er voldoende reservefuncties resteren met voldoende arbeidsplaatsen om daarvoor in de plaats te stellen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft.

4.3.

Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Daaruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) J.R. Trox

rh