Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2659

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
16/7122 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7559, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is aannemelijk dat appellant zijn standpunt dat betrokkene in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd alsnog toereikend kan onderbouwen. Daarom bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding om appellant op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Beroep gegrond. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7122 AOW

Datum uitspraak: 28 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2016, 15/7151 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.E. Eind, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. [X] . Nieuwstraten, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Namens appellant is, daartoe opgeroepen, mr. Eind verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Nieuwstraten en E. Tackey als tolk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving sinds 1 oktober 2006 een onvolledig ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Hij stond ten tijde hier van belang op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen. Tevens ontving betrokkene, met onderbrekingen, aanvullend bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Op 13 mei 2013 heeft, op verzoek van betrokkene, een medewerker van de afdeling Dienstverlening van appellant betrokkene opgebeld op het door hem opgegeven telefoonnummer. Naar aanleiding van de op het antwoordapparaat aangetroffen tekst ‟Dit is het antwoordapparaat van [naam 1] en [naam 2] (of [naam 3] ) [naam 3] , heeft een toezichthouder van de afdeling Bijzondere Onderzoeken van appellant (toezichthouder) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan betrokkene verleende ouderdomspensioen en de AIO-aanvulling.

1.3.

Betrokkene heeft de huur van de woning op het uitkeringsadres opgezegd tegen

1 januari 2015. Sinds die datum woonde betrokkene op het adres [adres 2] . Op dat adres woonde ook B.E. [X] . Janssen ( [X] ), die op dat adres stond ingeschreven in de BRP.

1.4.

In het kader van het onder 1.2 bedoelde onderzoek heeft de toezichthouder dossieronderzoek gedaan, bankafschriften bij betrokkene opgevraagd en geanalyseerd en internet en Suwinet geraadpleegd. Tevens heeft de toezichthouder bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen, te weten bij de verhuurder van het uitkeringsadres, de leveranciers van energie en water op het uitkeringsadres en de leverancier van water op het adres van [X] . Twee buurtbewoners van het uitkeringsadres en twee buurtbewoners van het adres van [X] zijn gehoord en de toezichthouder heeft tezamen met een collega betrokkene gehoord in een gesprek op 25 maart 2015. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapport van 30 maart 2015 (rapport).

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 29 mei 2015 het AOW-pensioen van betrokkene vanaf oktober 2006 te herzien naar de norm voor gehuwden. Appellant heeft bij besluit van 1 oktober 2015 (bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene, in verband met de zogenoemde tweewoningenregel, gegrond verklaard voor zover het de periode van 1 februari 2014 tot 1 januari 2015 betreft en voor het overige ongegrond. Aan de herziening van het AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 31 januari 2014 heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene in die periode (periode in geding) een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [X] op het adres van [X] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de aangevallen uitspraak.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat betrokkene en [X] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarbij heeft appellant zich in het bijzonder op het standpunt gesteld dat de verklaring die betrokkene heeft afgelegd op 25 maart 2015 (verklaring) mede een deugdelijke onderbouwing vormt voor dat standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of betrokkene in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [X] op haar adres. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Het besluit tot herziening is een voor betrokkene belastend besluit. Het is dan ook aan appellant om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

4.3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant hierin niet is geslaagd.

4.3.1.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het adres van [X] . In het bijzonder vormt de verklaring van betrokkene daartoe, anders dan appellant meent, volgens de rechtbank geen deugdelijke grondslag. In dit geval bestaat aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat kan worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring, ook wanneer degene die de verklaring heeft afgelegd de juistheid ervan later betwist. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder laten wegen dat betrokkene reeds in bezwaar de juistheid van de door hem afgelegde verklaring heeft betwist, terwijl aannemelijk is dat, zoals betrokkene heeft betoogd, tijdens het gesprek op 25 maart 2018 misverstanden zijn ontstaan. In dat verband heeft de rechtbank gewezen op de wijze waarop het gesprek met betrokkene, die de Nederlandse taal niet beheerst, heeft plaatsgevonden. De vragen waren vooraf in zowel Nederlands als Engels opgesteld, terwijl vragen die gaande het gesprek opkwamen niet in het Engels zijn opgenomen in het verslag. Ook zijn de antwoorden van betrokkene in het Nederlands genoteerd en vervolgens voor ondertekening door betrokkene in het Engels aan hem voorgedragen. De beroepsgrond van betrokkene dat de door hem afgelegde verklaring ziet op de situatie vanaf 1 januari 2015, en niet op de periode daarvoor, acht de rechtbank gelet op deze gang van zaken niet onaannemelijk.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank over de betekenis die aan de verklaring van betrokkene kan worden toegekend is juist. Door de hiervoor geschetste gang van zaken bestaan onvoldoende waarborgen dat betrokkene in zijn verklaring heeft geantwoord met voldoende begrip van de hem gestelde vragen. Evenmin bestaan voldoende waarborgen dat de weergave van wat betrokkene heeft verklaard volledig en juist is. In dit verband weegt mee dat niet is komen vast te staan wat het niveau is waarop de toezichthouders de Engelse taal beheersen.

4.5.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de verklaring van betrokkene slaagt, gelet op het voorgaande, niet.

4.6.

Appellant heeft ter zitting van de Raad het nadere standpunt ingenomen dat de overige onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat betrokkene in de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het adres van [X] . Gelet daarop en gelet op 4.1 tot en met 4.5 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [X] .

4.7.

Gelet op 4.6 en gelet op het tijdsverloop is niet aannemelijk dat appellant zijn standpunt dat betrokkene in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [X] alsnog toereikend kan onderbouwen. Daarom bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding om appellant op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2015.

4.8.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2015. De Raad ziet aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting het besluit van 29 mei 2015 te herroepen.

5. Gelet op 4.8 bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard en voor zover daarbij het besluit van 1 oktober 2015 is vernietigd;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant opdracht is gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2015;

  • -

    herroept het besluit van 29 mei 2015;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 503,-.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van [X] . M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) [X] .M.M. van Dalen

rh