Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
16/7025 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en boete. Verzwegen bankrekening. Vermogen boven vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7025 PW, 17/3220 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 30 september 2016, 16/1910 (aangevallen uitspraak 1), en 10 maart 2017, 16/3261 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 28 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer hoger beroepen ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend. Het Werkplein Drentsche Aa is de rechtsopvolger van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (ISD AAT). Waar hierna over het dagelijks bestuur wordt gesproken wordt daaronder mede verstaan het dagelijks bestuur van de ISD AAT.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Voor appellant is mr. Brouwer verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Heidergott.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in aansluiting op een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) met ingang van 6 maart 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Bij zijn aanvraag heeft appellant een ING-betaalrekening opgegeven (betaalrekening).

1.2.

Naar aanleiding van een vermogenssignaal dat appellant over een zogeheten

ING Top-rekening (Top-rekening) beschikt, die hij niet bij zijn aanvraag om bijstand heeft opgegeven, heeft het dagelijks bestuur bij appellant bankafschriften van de Top-rekening opgevraagd. Op 21 september 2015 heeft appellant de gevraagde bankafschriften ingeleverd.

1.3.

Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant over de periode van 6 maart 2013 tot en met 8 juni 2013 ingetrokken en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 4.549,30 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant in die periode over vermogen beschikte dat het toendertijd voor hem geldende vrij te laten vermogen overschreed.

1.4.

Bij besluit van 13 april 2016 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2015 gegrond verklaard en de intrekking beperkt tot de periode van 6 maart 2013 tot 18 april 2013 op de grond dat appellant op 18 april 2013 voldoende heeft ingeteerd op zijn vermogen. Het bedrag van de terugvordering heeft het dagelijks bestuur vastgesteld op € 2.064,29.

1.5.

Het dagelijks bestuur heeft appellant bij besluit van 19 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2016 (bestreden besluit 2), een boete opgelegd van

€ 650,25 en deze afgerond op € 660,-. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de Top-rekening niet bij zijn aanvraag om bijstand heeft opgegeven. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting heeft appellant te veel bijstand ontvangen. Het dagelijks bestuur is bij het opleggen van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In de hoger beroepen heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1 (intrekking en terugvordering)

4.1.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 6 maart 2013, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot 18 april 2013, de datum waarop appellant volgens het dagelijks bestuur vanwege intering op zijn vermogen niet meer over vermogen boven de voor hem toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen beschikt.

4.1.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.1.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het dagelijks bestuur het vermogen van appellant op juiste wijze heeft vastgesteld.

4.1.4.

De beroepsgrond van appellant dat had moeten worden uitgegaan van het vermogen zoals dat bij aanvang van de Bbz-uitkering was vastgesteld en dat in dat verband de eind februari 2013 uitbetaalde Bbz-uitkering als te zijn gespaard buiten de vermogensvaststelling had moeten blijven, slaagt niet. In het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag moet het actuele vermogen opnieuw worden vastgesteld. Daar komt bij dat het toetsingskader voor de vaststelling van het vermogen in het kader van de Bbz een ander is dan dat wat in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB, thans PW) geldt. Bij de vaststelling van het vermogen van appellant per 6 maart 2013 dienen alle vermogensbestanddelen te worden betrokken waarover appellant op dat moment feitelijk beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Daarbij is niet van belang op welke wijze en op welk moment appellant die vermogensbestanddelen heeft verworven. Dit betekent dat niet van belang is dat de vermogensbestanddelen deels zijn gevormd met behulp van gelden die appellant eerder heeft ontvangen in het kader van de Bbz. Het bepaalde in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB (thans PW) is niet van toepassing op tijdens een eerdere bijstandsperiode opgebouwde spaargelden, maar uitsluitend op spaargelden die tijdens een nog lopende bijstandsperiode worden opgebouwd. In deze bepaling staat immers “de periode waarin bijstand wordt ontvangen”, wat erop duidt dat deze bepaling van toepassing is op spaargelden die zijn opgebouwd tijdens een lopende bijstandsperiode (uitspraak van 16 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7378). Anders dan appellant meent, is het verder niet zo dat door fluctuaties op de betaalrekening, hij het risico loopt afwisselend boven en onder het vrij te laten vermogen te komen. Het op 6 maart 2013 vastgestelde vermogen is bepalend en dat is een momentopname. Daar komt bij dat in artikel 34, eerste lid, onder b, van de PW, dat gelijkluidend is aan het toen geldende artikel uit de WWB, staat dat alle middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, als vermogen worden aangemerkt voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de PW.

4.1.5.

Ter zitting is komen vast te staan dat het door het dagelijks bestuur per 6 maart 2013 vastgestelde vermogen van appellant bestaat uit het saldo op de Top-rekening (€ 5.482,58), het saldo op de betaalrekening (€ 2.122,88) en het saldo op een - inmiddels opgeheven - zakelijke rekening (€ 334,24), in totaal € 7.939,70. Dit bedrag is niet meer in geschil. Appellant heeft de periode die het college voor intering op dat bedrag in aanmerking heeft genomen, niet betwist.

Aangevallen uitspraak 2 (boete)

4.2.1.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling

van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, de tekst van artikel 18a van de PW en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), zoals deze per 1 januari 2017 luiden.

4.2.2.

Niet in geschil is dat appellant op het aanvraagformulier niet de Top-rekening heeft vermeld. In vraag 7.2 van het aanvraagformulier wordt ondubbelzinnig gevraagd om alle bank- giro- en spaarrekeningen met actuele saldi te vermelden. Dit betekent dat appellant door de Top-rekening met het actuele saldo niet te vermelden de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Anders dan appellant heeft betoogd, had het hem ook redelijkerwijs duidelijk kunnen en ook moeten zijn dat deze gegevens van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast.

4.2.3.

Een beboetbare gedraging leidt bij gewone verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder.

4.2.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de schending van de inlichtingenverplichting hem slechts in verminderde mate kan worden verweten. Hij heeft op het aanvraagformulier weliswaar niet de Top-rekening vermeld, maar hij was zich niet bewust dat hij deze moest melden. Hij meende dat deze bekend was bij het dagelijks bestuur uit de periode dat appellant een Bbz-uitkering ontving en in welke periode het saldo daarop beneden de vermogensgrens lag.

4.2.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover voor appellant onduidelijk was of de door het college expliciet gevraagde gegevens, gelet op zijn eerdere Bbz-uitkering inderdaad van belang waren, had het op de weg van appellant gelegen daarover bij het college nadere informatie in te winnen. Het college is dan ook bij het opleggen van de boete terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid.

4.2.6.

Het dagelijks bestuur heeft de boete van appellant afgerond vastgesteld op € 660,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit echter vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Dat betekent dat in het geval van appellant een boete van € 650,25 passend en geboden is.

Conclusie

5.1.

Gelet op 4.1.1 tot en met 4.1.5 slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet, zodat deze moet worden bevestigd.

5.2.1.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.6 volgt dat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en bestreden besluit 2 vernietigen voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 660,-. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb het boetebedrag vaststellen op € 650,25.

5.2.2.

Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand.

5.2.3.

Anders dan volgt uit eerdere rechtspraak (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 23 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:296) is de Raad thans van oordeel dat in het kader van een verzoek tot veroordeling in de kosten van bezwaar bij de herroeping van een boetebesluit uitsluitend in verband met de per 1 januari 2017 vervallen mogelijkheid tot afronding van een boete, de kosten van bezwaar niet voor rekening van het bestuursorgaan behoren te komen. Uit 4.2.6 volgt dat het besluit van 19 april 2016 wordt herroepen in verband met een wijziging van de toepasselijke regelgeving. Omdat een herroeping op die grond niet is aan te merken als een herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Voor een vergoeding van de kosten van bezwaar bestaat dan ook geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 juli 2016 gegrond en vernietigt dit besluit voor
zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 660,-;

- herroept het besluit van 19 april 2016 in zoverre;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 650,25 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het besluit van 20 juli 2016;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van
€ 2.004,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van € 340,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.M.M. van Dalen

rh