Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
16/2553 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Appellant mag worden gehouden aan zijn verklaring. Grove schuld. Geen dringende redenen. Boete is evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2553 PW

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

15 maart 2016, 15/2556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Gerards, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerards. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Sijbrandij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 9 december 2013 dat appellant werkzaamheden verricht, heeft de sociale recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer, in aanwezigheid van de rechter-commissaris, de woning van appellanten doorzocht en appellanten verhoord. Bij de doorzoeking werden onder meer administratieve bescheiden aangetroffen van een bedrijf in Irak, genaamd [naam bedrijf], waarvan [naam H] (H) de eigenaar was. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 26 november 2014.

1.3.

Appellante heeft tijdens het verhoor op 6 november 2014 onder meer het volgende verklaard: “[...] Mijn man werkt voor [H] […]. [H] heeft het bedrijf in Irak, er zijn meer mensen in dienst. Mijn man helpt [H] sinds een jaar of twee. Ik weet niet precies hoelang mijn man hem helpt. [...] Het klopt dat is de man waarvoor mijn man werkt [...]”. Appellant heeft tijdens het verhoor op 13 november 2014 onder meer het volgende verklaard: “[...] [H] stuurde mij opdrachten om machines te zoeken, dit omdat ik goed in metaal ben. Dat gaat om betonpompen. [...] Ik moest op internet zoeken in Europa. Dit heb ik zo’n drie maanden gedaan. [...] Vanaf augustus 2013 ben ik met [H] begonnen, op 18 november 2013 is de eerste pomp gekocht. Ik ben daarmee door gegaan. [...] Ik heb een website gemaakt voor [H]. Ik maak ook reclame op Facebook [...]. Ik heb mijn werkzaamheden bewust niet vermeld op de door mij persoonlijk ingevulde, ondertekende en ingeleverde inkomstenformulieren of op welke andere wijze dan ook. Dit heb ik opzettelijk verzwegen om meer uitkering te krijgen dan waar ik recht op had. Ik wist dat ik dat wel had moeten melden. [...] In 2010 heb ik mevrouw [A] verteld dat ik tussenpersoon zou worden voor export van kaas, dit is groter gemaakt dan het was. Dat is op niets uitgedraaid. Daarom heb ik de werkzaamheden voor [H] niet gemeld omdat ik bang was dat het dan weer niets zou worden. [...]”.

1.4.

Bij besluit van 5 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 maart 2015, heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2013 ingetrokken en de over de periode van 1 november 2013 tot en met 30 september 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.340,67 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten geen melding hebben gemaakt van de door appellant verrichte werkzaamheden. De activiteiten die appellant voor H heeft ondernomen worden als op geld waardeerbare arbeid aangemerkt. Een administratie of boekhouding met betrekking tot de werkzaamheden is niet voorhanden, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het tegen het besluit van 13 maart 2015 ingestelde beroep is door de rechtbank Overijssel ongegrond verklaard (uitspraak van 20 juli 2015, 15/897), welke uitspraak door de Raad is bevestigd bij de uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2586.

1.5.

Bij besluit van 26 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college appellanten een boete opgelegd van € 8.100,-. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellanten zich niet aan de inlichtingenverplichting hebben gehouden door geen melding te maken van het verrichten van werkzaamheden in de periode van 1 november 2013 tot en met 30 september 2014. Het college is uitgegaan van grove schuld en heeft daarom een boete opgelegd van 75% van het benadelingsbedrag, waarbij rekening is gehouden met de maximering tot € 8.100,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, de boete vastgesteld op € 2.510,-. Voor de hoogte van de boete is de rechtbank, evenals het college, voor de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van grove schuld en heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van appellanten, een en ander onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 11 januari 2016, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:12.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet (PW), voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW. Op grond van het zevende lid van artikel 18a van de PW kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2.

Van toepassing zijn artikel 18a van de PW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetenbesluit), zoals deze met ingang van 1 januari 2017 luiden. Voor een weergave van de relevante uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.

4.3.

Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspaak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1801) volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij normale verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Het is aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat de betrokkene met opzet of grove schuld heeft gehandeld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat de weergave in het proces-verbaal van de door appellant tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring over het bewust niet melden van de werkzaamheden niet klopt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellant heeft een uitvoerige en gedetailleerde verklaring afgelegd en daarbij verklaard dat het verhoor correct is verlopen, dat hij zich niet onder druk gezet heeft gevoeld en dat hij zijn verklaring in vrijheid heeft kunnen afleggen. Vervolgens is de verklaring, na te zijn voorgelezen en nadat appellant had verklaard daarin te volharden, zonder voorbehoud door appellant getekend. Bij aanvang van het verhoor is blijkens de verklaring de afwezigheid van een tolk met appellant besproken, is afgesproken dat geprobeerd wordt het gesprek te voeren zonder tolk en dat anders de tolkentelefoon zal worden gebeld. In het vervolg van het verhoor is door appellant niet gezegd dat hij alsnog gebruik van een tolk of de tolkentelefoon wil maken, dan wel anderszins te kennen gegeven dat hij de vragen niet begrijpt of geen antwoord kan geven op de vragen. De verklaring van appellant kan daarom worden betrokken bij de beoordeling van de boete.

4.5.

Uit 1.3 en 1.4 volgt in verband met wat onder 4.4 is overwogen dat het college heeft aangetoond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de door appellant voor H verrichte, op geld waardeerbare werkzaamheden.

4.6.

Appellanten hebben aangevoerd dat de schending van de inlichtingenverplichting hen niet kan worden verweten, dan wel dat sprake is verminderde verwijtbaarheid. Daartoe hebben zij gesteld dat zij zich niet hebben gerealiseerd dat de door appellant voor H verrichte activiteiten van invloed konden zijn op het recht op bijstand omdat geen sprake was van inkomsten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.7.

Uit de onder 1.3 weergegeven inhoud van de door appellanten tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen blijkt dat zij zich ervan bewust waren dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden voor H verrichtte, dat zij hiervan melding hadden moeten maken bij het college en dat zij dit bewust hebben nagelaten. Van een ontbreken van verwijtbaarheid of een verminderde verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting is daarom geen sprake. Gelet op deze verklaringen heeft het college appellanten de verweten gedraging beslist niet te zwaar aangerekend door uit te gaan van grove schuld.

4.8.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat dringende redenen bestaan op grond waarvan het college had moeten afzien van het opleggen van een boete. In dat verband hebben appellanten gewezen op de benarde financiële situatie waarin het gezin van appellanten al langere tijd verkeerde en ook thans verkeert. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.9.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 18a, zevende lid, van de PW moeten zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële consequenties van de boete voor betrokkene of de (mede)belanghebbende minderjarige gezinsleden (zie de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2011/12 33207, nr. 3, blz. 46-47). Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Financiële gevolgen van de opgelegde boete doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering daarvan wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In wat appellanten hebben aangevoerd liggen geen dringende redenen besloten als bedoeld in voornoemde zin.

4.10.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank op basis van het benadelingsbedrag de hoogte van de boete vastgesteld op € 2.510,-, te weten achttien maal 10% van de gehuwdennorm ten tijde van de aangevallen uitspraak (€ 1.389,57), en met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit, zoals dat luidde tot 1 januari 2017, naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit echter vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep en het indienen van de gronden van het hoger beroep konden appellanten hiermee dus geen rekening houden. Zij hebben nadien noch in nadere beroepsgronden noch ter zitting de afronding van de boete bestreden. De vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit punt kan ook niet in hun belang worden aangemerkt, aangezien de Raad dan, zelf beslissende op de boete met inachtneming van de ten tijde van deze uitspraak geldende bijstandsnorm, een hogere boete zou opleggen. Dat betekent dat in het geval van appellanten een boete van € 2.510,- evenredig is.

4.11.

Uit 4.4 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Dinleyici

LO