Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2645

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
16/5079 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep een herhaling van wat appellante eerder heeft gesteld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) over de belastbaarheid van appellante per 12 oktober 2015. Overwegingen worden onderschreven. In hoger beroep geen objectief medische gegevens ingebracht waaraan aanknopingspunten zijn te ontlenen dat haar arbeidsbeperkingen zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5079 WIA

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 juni 2016, 16/907 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als ondersteunend medewerker verzorgingshuis voor

32 uur per week, is in mei 2006 uitgevallen met hoofdpijnklachten. Vanaf 29 april 2008 heeft zij een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 1 maart 2011 is deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

In verband met een herbeoordeling heeft het Uwv – op basis van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten – bij besluit van 12 augustus 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 12 oktober 2015 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

In bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2015 heeft appellante gesteld dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verklaringen in geding gebracht van haar huisarts R.L. Stevens van 3 september 2015,

23 oktober 2015 en 30 november 2015. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond en appellante onderzocht op 11 november 2015. In een rapport van

30 november 2015 heeft deze verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking of een andere aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 24 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 12 augustus 2015 ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante opnieuw medische informatie in geding gebracht. Het betreft een verwijsbrief van huisarts Stevens van 13 november 2015 in verband met vermoeden van een PTSS en een angststoornis, en een huisartsjournaal over de periode februari 2014 tot februari 2016. Verder heeft appellante een brief van klinisch psycholoog A.H. Starrenburg van 4 februari 2016 ingebracht waarin verslag wordt gedaan van een intakegesprek op 7 januari 2016.

2.2.

Het Uwv heeft met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 april 2016 het ingenomen standpunt gehandhaafd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep deelt niet de visie van Starrenburg dat sprake is van een chronische PTSS.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht en heeft geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Over de door appellante geclaimde urenbeperking heeft de rechtbank overwogen dat volgens de Standaard verminderde arbeidsduur een urenbeperking slechts aan de orde is in drie situaties, te weten: op energetische gronden, op grond van verminderde beschikbaarheid en uit preventief oogpunt. De verzekeringsartsen hebben geen van deze situaties op appellante van toepassing geacht. Verder heeft de rechtbank de aan appellante voorgehouden functies medisch passend geacht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar medische toestand is verslechterd. Appellante is van mening dat de verzekeringsartsen van het Uwv haar hoofdpijnklachten en psychische klachten hebben onderschat en dat een urenbeperking is geïndiceerd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt een herhaling van wat zij reeds eerder heeft gesteld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante per 12 oktober 2015. De door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Over de door appellante in beroep ingebrachte verklaring van huisarts Stevens van 13 november 2015 en van klinisch psycholoog Starrenburg van 4 februari 2016 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts in zijn aanvullende rapport van 6 april 2016 inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom deze informatie geen aanleiding geeft tot een ander oordeel over de beperkingen van appellante. Appellante heeft in hoger beroep geen objectief medische gegevens ingebracht waaraan aanknopingspunten zijn te ontlenen voor haar standpunt dat haar arbeidsbeperkingen in verband met hoofdpijn en psychische klachten zijn onderschat.

4.2.

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 5 augustus 2015, appellante in staat moet worden geacht om de voor haar geselecteerde functies te vervullen.

4.3.

Uit wat is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) S.L. Alves

CVG