Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
15/814 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De motivering van Greveling‑Fockens in haar rapport van 11 december 2017 en in haar reactie van 26 maart 2018 is overtuigend. Het uitgebrachte rapport en de reactie geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven om het rapport en de reactie niet te volgen. Uitgaande van de FML van 24 januari 2018 en het arbeidskundig rapport van 25 januari 2018 is de conclusie dat het Uwv zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de datum in geding geen recht heeft op een WIA‑uitkering. Bestreden besluit was niet deugdelijk gemotiveerd, pas in hoger beroep. Appellant is hierdoor niet benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 814 WIA

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2014, 14/3664 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Leijser. Het Uwv is niet verschenen.

Het onderzoek is heropend om vragen te stellen aan het Uwv. Het Uwv heeft een reactie aan de Raad doen toekomen, waarna appellant gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om hierop te reageren.

De Raad heeft dr. P. Naarding, psychiater, als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 9 februari 2017 een rapport uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze op het rapport te geven. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Naarding heeft desgevraagd in een nader rapport van 12 juni 2017 gereageerd op de reactie van het Uwv. Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het nader rapport te reageren.

De Raad heeft vervolgens L. Greveling-Fockens, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. Greveling‑Fockens heeft op 11 december 2017 een rapport uitgebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om hun zienswijze in te brengen. Het Uwv heeft in dit verband rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht.

Greveling-Fockens heeft desgevraagd op 26 maart 2018 een nadere reactie gegeven.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Leijser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.C. Bastings en A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 24 november 2011 wegens schouderklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als magazijnmedewerker, die hij gedurende 40 uur per week verrichtte. Hier zijn psychische problemen bij gekomen.

1.2.

Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant door een verzekeringsarts van het Uwv op het spreekuur onderzocht. Deze arts heeft in een rapport van 3 oktober 2013 vermeld dat appellant functiebeperkingen aan de linkerschouder heeft en forse varicosis aan het rechterbeen. Er zijn volgens de verzekeringsarts geen aanwijzingen voor een depressieve of angstige stoornis, maar de arts heeft wel een behoorlijke psychische lijdenslast als gevolg van de fysieke beperkingen gezien bij appellant. De verzekeringsarts heeft in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 oktober 2013 beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk functioneren en dynamische en statische belasting. Na ook arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 oktober 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 21 november 2013 geen recht heeft op een WIA‑uitkering omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

1.3.

Naar aanleiding van zijn bezwaar tegen dit besluit is appellant gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft in een rapport van 7 mei 2014 vermeld dat appellant op dat moment twee maanden onder behandeling is van een psycholoog. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de visie van de primaire verzekeringsarts dat er een spanningsbeeld is, onderschreven en de door de primaire verzekeringsarts in de FML aangenomen beperkingen ongewijzigd van toepassing geacht.

1.4.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 oktober 2013 bij besluit van 13 mei 2014 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft in beroep ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, een brief van zijn behandelend GZ‑psycholoog van 8 juli 2014 ingebracht waarin deze psycholoog heeft vermeld dat appellant naar zijn inschatting bij zijn eerste contact op 16 januari 2014 een ernstige depressie had.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde psychische klachten. De in beroep ingebrachte inlichtingen van de behandelend psycholoog van appellant hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven voor twijfel aan de aangenomen psychische belastbaarheid, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat deze psycholoog niet kan beoordelen of appellant al voor de datum in geding een depressie had.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij door zijn psychische klachten meer dan wel verdergaande beperkingen had ten tijde in geding, waarbij hij evenals in beroep heeft verwezen naar de brief van zijn behandelend psycholoog van 8 juli 2014.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

Omdat twijfel bestond over de juistheid van de medische beoordeling van de klachten van appellant heeft de Raad psychiater Naarding als deskundige benoemd. Naarding heeft in zijn rapport van 9 februari 2017 vermeld dat appellant ten tijde van het onderzoek voldeed aan de criteria voor een depressieve stoornis, ernstig, zonder psychotische kenmerken en dat appellant mogelijk een chronische depressie heeft. De situatie op de datum in geding, 21 november 2013, kan volgens Naarding niet met voldoende zekerheid worden beantwoord. Appellant kon op die datum alleen last hebben van spanningsklachten of van beginnende depressieve klachten of ook al voldoen aan de criteria van een depressieve stoornis in engere zin. Naarding heeft ten tijde van zijn onderzoek meer beperkingen van toepassing geacht dan de verzekeringsarts heeft vastgesteld in de FML. In reactie op de zienswijze van het Uwv heeft Naarding in een aanvullend rapport van 12 juni 2017 te kennen gegeven dat de kans op de aanwezigheid van minstens een beginnende depressie bij appellant op 21 november 2013 zeer waarschijnlijk is. Dit op basis van het rapport van de behandelend psycholoog over de situatie twee maanden na de datum in geding, de informatie van de huisarts van appellant waaruit blijkt dat deze al eerder aan een depressieve stoornis dacht en het feit dat een ernstige depressie meestal niet in een dag of week ontstaat. Daarbij heeft hij vermeld dat de beperkingen die hij in het rapport van 9 februari 2017 heeft genoemd, betrekking hebben op de toestand van appellant op het moment van zijn onderzoek. Naarding heeft vervolgens vermeld van mening te zijn dat appellant op 21 november 2013 niet in staat was om 40 uur te werken en dat appellant, uitgaande van een depressie op 21 november 2013, onder meer beperkingen heeft gehad wat betreft vasthouden van aandacht, verdelen van aandacht, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, zelfstandig handelen en handelingstempo.

4.2.

Het Uwv heeft in een reactie van 21 juni 2017 naar voren gebracht dat Naarding wat betreft de beperkingen is uitgegaan van de situatie ten tijde van het onderzoek en niet is uitgegaan van eventuele beperkingen bij een beginnende depressie. Daarbij is het Uwv van mening dat er geen grondslag is voor een urenbeperking.

4.3.

De Raad heeft verzekeringsarts Greveling-Fockens benoemd als deskundige met de opdracht om aan de hand van de rapporten van Naarding beperkingen in een FML aan te nemen die betrokkene waarschijnlijk had op de datum 21 november 2013, uitgaande van een beginnende depressie op die datum.

4.4.

Greveling-Fockens heeft in het rapport van 11 december 2017 te kennen gegeven dat uit de speciale anamnese van het rapport van Naarding blijkt dat appellant heeft gemeld dat het de laatste jaren steeds slechter met hem gaat en dat het de laatste maanden helemaal slecht gaat. De onderzoeksbevindingen in het rapport van Naarding kunnen volgens haar daarom niet zonder meer van toepassing geacht worden op de datum in geding. Zij heeft erop gewezen dat de beperkingen bij een beginnende depressie niet dezelfde zijn als bij een ernstige depressie, zoals aanwezig ten tijde van het onderzoek van Naarding. Uitgaande van een beginnende depressie ziet zij geen aanleiding voor beperkingen ten aanzien van vasthouden van de aandacht, het verdelen van de aandacht, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, handelingstempo. Wel acht zij het aannemelijk dat er ten tijde in geding beperkingen bestonden ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen, omgaan met conflicten en samenwerken. Er is volgens haar geen reden voor een arbeidsduurbeperking indien appellant werkzaam is in arbeid waarin rekening is gehouden met de verminderde belastbaarheid van de psyche.

4.5.

Appellant heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat Greveling-Fockens had moeten uitgaan van een depressieve stoornis in engere zin. Het Uwv heeft voor zijn zienswijze verwezen naar een rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4.6.

Greveling-Fockens heeft in haar reactie van 26 maart 2018 te kennen gegeven dat haar opdracht was om uit te gaan van een beginnende depressie op de datum in geding. Vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt kan niet onderbouwd worden dat appellant, daarvan uitgaande, niet fulltime kon werken op de datum in geding. Daarbij is zij bij haar beantwoording uitgegaan van de definities van de beperkingen zoals die in de CBBS Basisinformatie zijn geformuleerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Alhoewel Naarding in zijn nader rapport van 12 juni 2017 beperkingen heeft vermeld ten aanzien van de datum 21 november 2013, moet worden vastgesteld dat deze beperkingen overeenkomen met de beperkingen waarvan hij heeft aangegeven dat deze aanwezig waren op de datum van zijn onderzoek, toen appellant een ernstige depressie had. Op grond van de aanwezige medische stukken heeft Naarding niet kunnen vaststellen dat appellant al op de datum in geding een ernstige depressie had.

5.2.

Omdat ervan uitgegaan kan worden dat appellant op de datum 21 november 2013 een beginnende depressie had, heeft de Raad Greveling‑Fockens gevraagd om beperkingen vast te stellen uitgaande van het bestaan van een beginnende depressie op de datum in geding. De motivering van Greveling‑Fockens in haar rapport van 11 december 2017 en in haar reactie van 26 maart 2018 is overtuigend. Het uitgebrachte rapport en de reactie geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven om het rapport en de reactie niet te volgen.

5.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 24 januari 2018 te kennen gegeven de FML aan te passen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in verband met de aangepaste FML in een rapport van 25 januari 2018 een functie laten vervallen. Op basis van de resterende functies blijft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum 21 november 2013 minder dan 35%. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht is besloten dat appellant met ingang van die datum geen recht heeft op een WIA‑uitkering.

5.4.

Gelet op wat is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 slaagt het hoger beroep van appellant niet. Uitgaande van de FML van 24 januari 2018 en het arbeidskundig rapport van 25 januari 2018 is de conclusie dat het Uwv zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de datum in geding geen recht heeft op een WIA‑uitkering. Omdat eerst in hoger beroep een volledige onderbouwing is gegeven voor de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van de gronden.

6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.753,50 in hoger beroep, in totaal € 2.755,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.755,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2018.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

NW