Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
16/6032 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten hadden het gewone centrum van hun belangen in Frankrijk. De Svb is er dan ook terecht van uitgegaan dat appellanten hun woonplaats in Frankrijk hadden. Op appellanten is de Franse wetgeving van toepassing. De verklaring van appellanten dat zij in Nederland belastingplichtig zijn en dat de Franse fiscus hen niet als belastingplichtig beschouwt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit gegeven niet doorslaggevend is bij de vaststelling van welke lidstaat de socialeverzekeringswetgeving van toepassing is. De Svb heeft terecht de aanvraag van appellant om toekenning van een A1-verklaring afgewezen, reeds omdat appellant in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving viel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6032 AOW, 16/6034 AOW, 16/6035 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 augustus 2016, 15/1974, 15/5524 en 15/5568 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

[appellant] (appellant), beiden te [woonplaats] (Frankrijk)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift.

Namens appellanten zijn nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. De zaken zijn daar gevoegd behandeld. Appellanten zijn, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door

mr. drs. Schreinemacher. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M.J.A. Erkens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten vormen een echtpaar en zijn ook zakenpartners. In januari 2014 heeft appellant bij de Svb een aanvraag gedaan om een verklaring van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving, de zogenaamde A1-verklaring. Hij heeft daarbij te kennen gegeven in meerdere EU-landen als zelfstandige te werken, maar niet in Nederland. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de woonplaats van appellanten.

1.2.

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft de Svb de aanvraag om een A1-verklaring afgewezen, omdat op grond van artikel 13, tweede lid, onder b, van Verordening (EG)

nr. 883/2004 (Vo 883/2004) Frankrijk wordt aangewezen als het land waar appellant wordt onderworpen aan de sociale verzekeringswetten.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 23 februari 2015 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluiten van 23 februari 2015 en 27 februari 2015 heeft de Svb aan appellanten meegedeeld hen voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) niet verzekerd te achten over de periode van 22 april 2008 tot en met 25 februari 2015 (de periode in geding).

1.5.

Bij beslissingen op bezwaar van 22 juli 2015 en 24 juli 2015 (bestreden besluiten 2 en 3) is het bezwaar tegen de besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij in de periode in geding in Nederland woonden en als ingezetenen van Nederland moeten worden beschouwd. Volgens appellanten hadden zij een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland en lag daar ook het centrum van hun levensbelangen. Na het opzeggen van hun woning in Nederland hebben zij een camper gekocht waarin zij verbleven. De woning in Frankrijk die zij hebben, is een vakantiehuis, een oud station, dat wegens een verbouwing en het ontbreken van verwarming niet geschikt was voor duurzame bewoning. In de winter gaan zij naar warmere landen en in de zomer zijn zij in Frankrijk. Tussendoor bezoeken appellanten familie en vrienden in Nederland. Zij zijn in Nederland getrouwd en hebben hier vrachtwagenlessen genomen. Appellanten hebben gesteld dat zij tijdens de jaren in geding zowel in Nederland als in Frankrijk als zelfstandige hebben gewerkt. Op dit moment wonen appellanten in Frankrijk. Met betrekking tot de A1-verklaring hebben appellanten aangevoerd dat hun zakelijk belang weliswaar in Frankrijk lag, maar dat de werkzaamheden in Nederland plaatsvonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellanten over de periode in geding niet op grond van de AOW verzekerd zijn. Verder is in geschil de weigering tot afgifte van een A1-verklaring.

4.2.

Vast staat dat appellanten zich in een grensoverschrijdende situatie bevinden. Indien appellanten over de periode in geding werkzaamheden anders dan in loondienst hebben uitgeoefend in één lidstaat is op appellanten, op grond van artikel 13, tweede lid, onder b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 op grond van artikel 11, derde lid, onder a, van Vo 883/2004, de wetgeving van die lidstaat van toepassing. Indien sprake is van uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst in twee of meer lidstaten is op appellanten tot 1 mei 2010, op grond van artikel 14 bis, tweede lid, van

Vo 1408/71 uitsluitend de wetgeving van hun woonplaats van toepassing. Op grond van artikel 13, tweede lid, van Vo 883/2004 geldt hetzelfde voor de periode vanaf 1 mei 2010, mits appellanten een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in hun woonland uitoefenden. Zo niet, dan is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar het centrum van de belangen van de werkzaamheden heeft gelegen.

4.3.

Ingevolge artikel 1, sub h van Vo 1408/71 respectievelijk artikel 1, sub j en sub k van

Vo 883/2004 wordt onder woonplaats verstaan, de normale verblijfplaats, respectievelijk de plaats waar een persoon pleegt te wonen. Onder verblijfplaats wordt verstaan de tijdelijke verblijfplaats. Beide begrippen hebben een autonome, communautaire betekenis.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (vergelijk de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, C-76/76, Swaddling van 25 februari 1999, C-90/97, Wencel van 16 mei 2013, C-589/10 en I vs Health Service van 5 juni 2014, C-255/13) wordt bij het begrip “woonplaats” binnen de toepassing van Vo 883/2004 en de eerdere Vo 1408/71 gedoeld op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Volgens het Hof kan een persoon, voor de toepassing van beide Verordeningen, echter niet tegelijkertijd beschikken over twee normale woonplaatsen op het grondgebied van twee verschillende lidstaten (arrest Wencel, punt 51). De in de rechtspraak van het Hof neergelegde factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de normale woonplaats van een persoon, zijn vanaf 1 mei 2010 verwoord in artikel 11, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009. Deze opsomming is echter niet uitputtend en voorziet niet in een rangorde (arrest I vs Health Service, punt 46). Het is aan de nationale rechter om, gelet op alle relevante elementen in het dossier, te beoordelen waar zich de normale woonplaats van de betrokkene bevindt. Hierbij zijn niet de formele indicaties, zoals inschrijving in een gemeentelijk inwonersregister, doorslaggevend, maar zijn de concrete feiten en omstandigheden bepalend voor de vraag of betrokkene ten tijde in geding het gewone centrum van zijn belangen in een andere lidstaat dan Nederland had.

4.5.

Beoordeeld moet dus worden of appellanten tijdens de periode in geding woonplaats hadden in Frankrijk, dan wel woonplaats in Nederland en slechts een tijdelijke verblijfplaats in Frankrijk. Zoals in 4.4 is overwogen kan een persoon voor de toepassing van Vo 1408/71 en van Vo 883/2004 immers niet tegelijkertijd over twee normale woonplaatsen beschikken op het grondgebied van twee verschillende lidstaten.

4.6.

Voor de beantwoording van de vraag of appellanten tijdens de periode in geding in Nederland of in Frankrijk hun normale woonplaats hadden, waar zich ook het gewone centrum van hun belangen bevond, worden de volgende feiten en omstandigheden van belang geacht. Appellanten hebben al ruim twintig jaar een woning in Frankrijk, die zij volgens hun website als hun droomhuis beschouwen. In 2008 zijn beiden gestopt met hun werkzaamheden in loondienst. Zij zijn van hun spaargeld gaan leven en hebben in april 2008 de huur van hun zelfstandige woonruimte in Amsterdam opgezegd. Zij hebben een camper gekocht waarmee zij rondtrokken. In die periode is appellant begonnen met het geven van technisch advies in Frankrijk aan kopers via een makelaarskantoor in het dorp waar hun woning staat. Voor deze werkzaamheden ontving appellant een geldelijke vergoeding. Tot juli 2012 hadden appellanten een briefadres in [gemeente 1] en vanaf die tijd stonden zij ingeschreven op het adres van een woning van een vriend in [gemeente 2] . Deze woning moest worden opgeknapt en is nooit daadwerkelijk bewoond door appellanten. Met ingang van 25 april 2014 zijn appellanten uitgeschreven uit de basisregistratie personen. Appellanten trokken in de winter met de camper naar Spanje of Portugal, zij bezochten met regelmaat familie en vrienden in Nederland, maar keerden altijd terug naar hun woning in Frankrijk. Daar konden appellanten van weinig inkomen maandelijks rondkomen. Tot februari 2010 verkochten appellanten in zeer beperkte omvang voor religieuze doeleinden bestemde kaarsen in Nederland. Tijdens de jaren 2009 tot en met 2013 voerde appellant enkele vertaalopdrachten uit voor de lokale notaris in Frankrijk. Vanaf 2010 zijn appellanten zich naar eigen zeggen meer gaan richten op de werkzaamheden als zelfstandig makelaar in Frankrijk, bestaande uit bemiddeling bij de aankoop en bezichtiging van Franse huizen door Nederlanders. Appellante heeft daartoe een opleiding gevolgd. Appellante onderhoudt de daartoe bestemde website en het contact met de klanten. Appellanten ontvangen de kopers in hun woning in Frankrijk en bezichtigen met hen de huizen. Appellant geeft technisch advies aan de kopers en voert voor hen de onderhandelingen, omdat hij de streek en de gebruiken goed kent en de Franse taal spreekt.

4.7.

Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat appellanten in ieder geval na het opgeven van hun vaste woonruimte in Nederland op en na 22 april 2008 het gewone centrum van hun belangen in Frankrijk hadden. Uit de in 4.6 genoemde feiten en omstandigheden blijkt geenszins de intentie van appellanten om hun gewone verblijfplaats in Nederland te hebben. De Svb is er dan ook terecht van uitgegaan dat appellanten vanaf

22 april 2008 hun woonplaats in Frankrijk hadden. Dat appellanten vrachtwagenrijles in Nederland hebben gevolgd, maakt dit niet anders.

4.8.

De Raad stelt verder vast dat appellanten in de jaren 2008 tot en met 2010 in zowel Nederland als Frankrijk werkzaamheden, anders dan in loondienst, als bedoeld in artikel 14bis, tweede lid, van Vo 1408/71 en artikel 13, tweede lid, van Vo 883/2004 hebben verricht. Voor zover al sprake zou zijn geweest van arbeid in Nederland van een in aanmerking te nemen omvang, moet worden vastgesteld dat ook in Frankrijk dergelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden brengen de artikelen

14bis, tweede lid, van Vo 1408/71 en 13, tweede lid, van Vo 883/2004, mee dat uitsluitend de wetgeving van de woonplaats van appellanten, dus van Frankrijk, van toepassing is. Tot slot wordt vastgesteld dat appellanten vanaf februari 2010 uitsluitend in Frankrijk werkzaamheden anders dan in loondienst als bedoeld in artikel 11, derde lid, onder a, van

Vo 883/2004, hebben verricht.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat op appellanten de Franse wetgeving van toepassing is. De verklaring van appellanten dat zij in Nederland belastingplichtig zijn en dat de Franse fiscus hen niet als belastingplichtig beschouwt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit gegeven niet doorslaggevend is bij de vaststelling van welke lidstaat de socialeverzekeringswetgeving van toepassing is.

4.10.

Tot slot wordt geoordeeld dat de Svb terecht de aanvraag van appellant om toekenning van een A1-verklaring heeft afgewezen, reeds omdat appellant in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving viel.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat de rechtbank de bestreden besluiten terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

GdJ