Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
15/3065 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op een WGA-uitkering. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding geen duurzaam karakter had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3065 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 maart 2015, 14/3667 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2017. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

De Raad heeft M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, benoemd als deskundige. De deskundige heeft appellant onderzocht en op 9 november 2017 rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar met onderliggende stukken ingediend.

Appellant heeft gereageerd op de nieuwe beslissing op bezwaar. Het Uwv heeft hier op zijn beurt op gereageerd.

Geen van beide partijen heeft te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Hierop is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als Technical Field Engineer. Na een auto-ongeval op 18 september 2009 heeft appellant zich ziek gemeld. Vanaf 16 september 2011 heeft appellant een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. Per 16 februari 2013 is deze uitkering omgezet in een WGA‑vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2.

Bij brief van 16 april 2013 heeft appellant het Uwv gemeld dat zijn gezondheidssituatie was verslechterd.

1.3.

Bij besluit van 4 december 2013 is de WGA‑vervolguitkering van appellant onveranderd gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts van 29 oktober 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 3 december 2013 ten grondslag gelegd.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 7 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2013 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 mei 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 mei 2014 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd geacht en geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, kort gezegd, aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat was de voor hem geselecteerde functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft aanvankelijk bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv echter op 18 januari 2018 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Bij dit besluit heeft het Uwv met ingang van 16 april 2013 volledige arbeidsongeschiktheid aangenomen en vastgesteld dat appellant, met inachtneming van de in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA neergelegde termijn, vanaf 1 juli 2013 aanspraak had op een WGA‑loonaanvullingsuitkering.

3.3.

Appellant heeft in reactie op bestreden besluit 2 betoogd dat hij met ingang van

16 april 2013 niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt was en daarom recht had op een IVA‑uitkering.

3.4.

Het Uwv heeft een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2018 ingezonden, waarin deze heeft toegelicht welke verbeteringen ten tijde van belang nog mogelijk te achten waren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aangezien het Uwv, gelet op bestreden besluit 2, bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, slaagt het hoger beroep van appellant. Nu het Uwv het door de rechtbank beoordeelde bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, kan ook de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, het beroep tegen bestreden besluit 1 zal gegrond worden verklaard en dit besluit zal eveneens worden vernietigd.

4.2.

Het Uwv is met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant. Immers, appellant wenst een IVA‑uitkering te ontvangen. Bestreden besluit 2 zal daarom, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling worden betrokken.

4.3.

Vastgesteld wordt dat uitsluitend nog in geschil is of de op 16 april 2013 bestaande volledige arbeidsongeschiktheid van appellant tevens duurzaam was te achten in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht had op een IVA‑uitkering in plaats van een WGA‑uitkering.

4.4.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.5.

In de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) is overwogen dat de verzekeringsarts zich blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WIA een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij een inschatting dient te worden gemaakt van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.6.

Voor de onderbouwing van het standpunt van het Uwv dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 16 april 2013 geen duurzaam karakter had, is het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2018 van belang. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat rond de datum in geding nog diverse interventies mogelijk waren die naar verwachting tot verbetering van de belastbaarheid van appellant zouden leiden. Hij heeft daarbij aandacht besteed aan de nek- en rugklachten, psychische klachten en oogklachten van appellant. Bij onderzoek van de nek en de rug van appellant waren geen structurele afwijkingen gevonden, zoals bijvoorbeeld een hernia of slijtage. Na het opbouwen van spierkracht en coördinatie viel verbetering te verwachten van de dynamische en statische belastbaarheid. Voor de psychische klachten was van belang dat appellant was verwezen naar de polikliniek psychosomatiek en dat neuropsychologisch onderzoek was gedaan waarbij werd gedacht aan een nagebootste stoornis. Verder werden in een brief van de behandelend psychologen interventies genoemd als gesprekken met een psycholoog in combinatie met sessies met een creatief therapeut en vitaminesuppletie. Te verwachten was dat het persoonlijk en sociaal functioneren hierdoor zouden verbeteren. Appellant was in 2013 nog niet bij de oogarts geweest. Toen hij daar begin 2014 kwam zijn hem convergentie-oefeningen aangereikt, die naar verwachting zouden leiden tot minder beperkingen.

4.7.

De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 21 maart 2018 vermelde informatie is in overeenstemming met de in het dossier aanwezige informatie vanuit de behandelend sector. Er bestaat dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding geen duurzaam karakter had.

4.8.

Gelet op 4.2 tot en met 4.7 slaagt het beroep tegen bestreden besluit 2 niet.

5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. De kosten worden begroot op 2 punten in beroep (indiening beroepschrift en bijwonen zitting) zijnde € 1.002,- en op 2,5 punten in hoger beroep (indiening beroepschrift, bijwonen zitting en reactie op nieuw besluit) zijnde € 1.252,50, in totaal € 2.254,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 7 mei 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 7 mei 2014;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 18 januari 2018 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) O.V. Vries

IvR