Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
16/7460 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet aannemelijk gemaakt hoe appellant in onderhoud heeft voorzien ook voor de aanvraag. Overschrijding redelijke termijn komt voor rekening bestuursorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7460 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het openbaar lichaam Kompas, Gemeentelijk collectief voor werk, inkomen en zorg, van 24 oktober 2016 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, Gemeentelijk collectief voor werk, inkomen en zorg (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 23 januari 2018

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 20 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2354, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 september 2013, 12/2213, vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 12 november 2012 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 19 januari 2016 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op de periode van 25 juli 2012 tot en met 19 december 2013 en voor zover dat ziet op de terugvordering van het op 14 juni 2012 verstrekte voorschot, en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Daarbij is met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het dagelijks bestuur nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. De Raad heeft voorts het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade van appellant afgewezen.

Het dagelijks bestuur heeft op 24 oktober 2016 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).

Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en stukken overlegd.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Crutzen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot 29 september 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen. De bijstand is beëindigd omdat appellant naar een andere gemeente is verhuisd.

1.2.

Met ingang van 29 september 2011 stond appellant ingeschreven in de gemeentelijk basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) op het adres [Adres A] te [plaatsnaam], gemeente [gemeente]. Op 11 mei 2012 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de WWB.

1.3.

Bij brief van 31 mei 2012 heeft het dagelijks bestuur appellant verzocht om vóór 8 juni 2012 ontbrekende gegevens over te leggen, waaronder een huurcontract, betalingsbewijzen van de huur, bankafschriften en bewijsstukken van zijn schulden. Appellant heeft niet alle gevraagde gegevens overgelegd, maar wel een huurovereenkomst, facturen en nota’s, een overeenkomst met een bank over een privépakket en een kopie van een bankpasje.

1.4.

Op 14 juni 2012 heeft het dagelijks bestuur aan appellant op zijn verzoek een voorschot van € 250,- verstrekt.

1.5.

Bij brief van 27 juni 2012 heeft het dagelijks bestuur appellant vervolgens gevraagd om vóór 5 juli 2012 bewijsstukken/verklaringen over te leggen waaruit blijkt hoe hij in de periode van 30 september 2011 tot en met 14 juni 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Indien appellant heeft geleefd van bekenden, vrienden en/of familie dan dient hij dit aan te tonen door middel van getekende verklaringen. Nadat het dagelijks bestuur op verzoek van de toenmalige advocaat van appellant de hersteltermijn had verlengd tot 12 juli 2012 heeft die advocaat bij brief van 10 juli 2012 meegedeeld dat de gevraagde bewijzen niet kunnen worden aangeleverd en dat appellant aan vele landgenoten en ook aan onbekenden om geld heeft gevraagd, dat hij dat ook gekregen heeft en dat appellant ook overal op straat om geld heeft gebedeld.

1.6.

Bij besluit van 25 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2012, heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen en het verstrekte voorschot teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat op 27 juni 2012 aan appellant een hersteltermijn is geboden om bewijsstukken en verklaringen te overleggen over hoe hij in de periode van 30 september 2011 tot en met 14 juni 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, welke hersteltermijn op verzoek van de advocaat van appellant werd verlengd. Op 11 juli 2012 ontving het dagelijks bestuur van de advocaat van appellant een schrijven met de mededeling dat appellant de gevraagde gegevens niet kon aanleveren. De enkele niet gefundeerde stelling dat appellant van vele landgenoten en onbekenden geld heeft gevraagd en gekregen, is onvoldoende om te kunnen beoordelen hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en of hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

1.7.

Bij uitspraak van 20 september 2013 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 september 2012 ongegrond verklaard.

1.8.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Hij heeft onder meer aangevoerd dat hij heeft geleefd van giften van bekenden en vreemden en dat hij niet in staat is dit met bewijsstukken te onderbouwen.

1.9.

Bij tussenuitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4829, heeft de Raad geoordeeld dat het dagelijks bestuur met het opvragen van de in de brief van 27 juni 2012 genoemde gegevens de fase van de incomplete aanvraag was gepasseerd en niet bevoegd was om de aanvraag van 11 mei 2012 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. De Raad heeft het dagelijks bestuur opgedragen het gebrek in het besluit van 12 november 2012 te herstellen door een inhoudelijk besluit op de aanvraag te nemen.

1.10.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het dagelijks bestuur op 19 januari 2016 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur het besluit van 25 juli 2012 herzien in die zin dat de aanvraag wordt afgewezen. Appellant is zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet nagekomen, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate hij ten tijde van belang verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellant heeft met betrekking tot de op 31 mei 2012 opgevraagde gegevens niet de gevraagde bankafschriften, bewijzen van huurbetaling en de zorgpolis overgelegd. Op het verzoek van 27 juni 2012 om bewijsstukken/verklaringen over te leggen over hoe appellant in de periode van 30 september 2011 tot en met 14 juni 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, heeft appellant verklaard dat hij die bewijzen niet kan aanleveren.

1.11.

Nadat appellant tegen het besluit van 19 januari 2016 een zienswijze had ingediend, heeft de Raad in de einduitspraak van 20 mei 2016 geoordeeld dat in dit geval, waarin het dagelijks bestuur de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld en na bezwaar alsnog inhoudelijk op de aanvraag heeft beslist, de te beoordelen periode loopt van de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van de beslissing op het bezwaar, dus van 11 mei 2012 tot en met 19 januari 2016. Omdat appellant in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij vanaf 20 december 2013 is uitgeschreven uit de gemeente [gemeente], zodat vanaf die datum geen recht op bijstand jegens het dagelijks bestuur meer bestaat, is de periode in geding in dit geval de periode van 11 mei 2012 tot en met 19 december 2013. Het dagelijks bestuur heeft ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling gemaakt over de periode van 25 juli 2012 tot en met 19 december 2013. Het nader besluit is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd. Over de periode van 11 mei 2012 tot 25 juli 2012 heeft de Raad overwogen dat appellant niet de gevraagde bankafschriften, bewijzen van huurbetaling en zorgpolis heeft overgelegd en niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien. Appellant heeft zijn stelling dat hij psychische problemen heeft niet met verifieerbare stukken onderbouwd, zodat het dagelijks bestuur daarmee geen rekening hoefde te houden. Hieruit volgt dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand over de periode van 11 mei 2012 tot 25 juli 2012 niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag met betrekking tot die periode terecht is afgewezen. De Raad heeft het dagelijks bestuur opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, waarbij het dagelijks bestuur, alvorens een besluit te nemen, appellant in de gelegenheid moet stellen de benodigde inlichtingen en gegevens te verschaffen. Vervolgens moet het dagelijks bestuur in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen en gegevens op juistheid en volledigheid controleren.

1.12.

Het dagelijks bestuur heeft appellant vervolgens bij brief van 12 juli 2016 verzocht om bankafschriften, bewijzen van huurbetaling en bewijsstukken over psychische problemen in de periode van 25 juli 2012 tot en met 19 december 2013 over te leggen. Voorts heeft het dagelijks bestuur appellant gevraagd om verifieerbare en controleerbare gegevens over hoe hij in die periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

1.13.

Appellant heeft vervolgens bij brieven van 25 juli 2016, 28 juli 2016, 19 augustus en 9 september 2016, onder meer bankafschriften, een verklaring van appellant betreffende huurbetaling, stukken betreffende zijn psychische situatie en verklaringen van zijn broers [naam broer], Lahim en Chakil el Haddouti overgelegd, inhoudende dat deze broers hem in 2012 en 2013 onderscheidenlijk € 18.000,-, € 1.700,- en € 2.000,- hebben geleend.

2. Het dagelijks bestuur heeft ter uitvoering van de einduitspraak het hier bestreden besluit genomen. Het dagelijks bestuur heeft daarbij de aanvraag om bijstand van appellant van 11 mei 2012 ook voor de periode van 25 juli 2012 tot en met 19 december 2013 afgewezen en aan appellant een schadevergoeding toegekend van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende gegevens heeft verstrekt om zijn recht op bijstand over deze periode vast te stellen. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant in deze periode (in augustus 2012) vier keer heeft gepind, tot een totaalbedrag van € 800,-. Verder is niet gebleken dat appellant in die periode geld heeft opgenomen, de huur heeft betaald of kosten van levensonderhoud (boodschappen) heeft gepind. Over de in 1.13 vermelde verklaringen van de broers van appellant heeft het dagelijks bestuur overwogen dat daaruit niet blijkt dat de betreffende bedragen bestemd waren voor levensonderhoud. Appellant heeft ook niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij de genoemde bedragen daadwerkelijk heeft ontvangen. De omstandigheid dat zijn broer [naam broer] geen bankafschriften wil verstrekken met betrekking tot de geleende bedragen, wat daarvan zij, komt voor risico van appellant. Bovendien heeft appellant wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Nu de aanvraag volgens het dagelijks bestuur terecht is afgewezen, was het dagelijks bestuur voorts bevoegd het op 14 juni 2012 aan appellant verstrekte voorschot van € 250,- van hem terug te vorderen. Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM heeft het dagelijks bestuur overwogen dat de termijn is aangevangen op 31 augustus 2012, de dag waarop het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2012 heeft ontvangen, en dat de redelijke termijn van vier jaar met circa een half jaar is overschreden.

3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de Raad ingesteld op de hierna te bespreken gronden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Afwijzing aanvraag

4.1.

De hier nog te beoordelen periode loopt van 25 juli 2012 tot en met 19 december 2013.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven, in dit geval over de wijze waarop in het levensonderhoud is voorzien. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Het dagelijks bestuur stelt zich terecht op het standpunt dat appellant niet in zijn bewijslast is geslaagd. De schriftelijke verklaringen van de drie broers van appellant dat zij hem in 2012 en 2013 geld hebben geleend om te voorzien in zijn basis behoeften aan eten, drinken, onderdak en persoonlijke verzorging voor totaalbedragen van onderscheidenlijk

€ 18.000,-, € 1.700,- en € 2.000,- zijn daartoe onvoldoende, reeds omdat deze verklaringen niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare bescheiden, zoals bijvoorbeeld bankgegevens van deze broers, en niet is gebleken dat en, zo ja, wanneer appellant daadwerkelijk geld van zijn broers heeft ontvangen. Weliswaar was het gezien het tijdsverloop voor appellant moeilijker om verifieerbare gegevens te verstrekken over de wijze waarop hij in de te beoordelen periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien, maar dat het onmogelijk was om deze gegevens te leveren, is niet gebleken.

4.4.

De omstandigheid dat zijn broer [naam broer] geen bankafschriften wil overleggen, zoals appellant heeft aangevoerd, komt voor rekening en risico van appellant. Overigens zijn ook geen bankafschriften van de andere broers overgelegd. Dat [naam broer] wel bereid was telefonisch te verklaren tijdens de hoorzitting, zoals blijkt uit zijn e-mailbericht van 11 augustus 2016 aan de begeleidster van appellant bij Radar, maar de commissie bezwaar en beroep dat aanbod heeft afgewezen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat een mondelinge verklaring van deze broer geen objectief en verifieerbaar bewijs kan opleveren voor de gestelde geldverstrekkingen van hem aan appellant en dus geen toegevoegde waarde zou hebben gehad.

4.5.

Dat appellant psychische problemen had, brengt niet met zich dat hij niet in staat was om gegevens te verstrekken over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant kon zich bij het doen van zijn aanvraag laten bijstaan door derden en heeft dat ook gedaan. Appellant werd in de aanvraagfase en ook in de fase voorafgaand aan het thans bestreden besluit bijgestaan door een advocaat. Bovendien werd appellant ten tijde van belang bijgestaan door Mondriaan (geestelijke gezondheidszorg) en Radar, welke organisatie blijkens de website mensen met een (verstandelijke) beperking in Zuid-Limburg ondersteunt.

4.6.

Ook de omstandigheid dat appellant, voordat hij in de gemeente [gemeente] kwam wonen, bijstand ontving van de gemeente Heerlen en na zijn vertrek uit [gemeente] ook - mogelijk op grond van dezelfde informatie - bijstand heeft ontvangen van de gemeente [woonplaats], maakt niet dat het dagelijks bestuur van appellant niet mocht verlangen aannemelijk te maken waarvan hij in de periode voor de inhoudelijke beslissing op de aanvraag heeft geleefd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het dagelijks bestuur de aanvraag terecht heeft afgewezen en het verstrekte voorschot terecht heeft teruggevorderd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal daarom ongegrond worden verklaard.

Overschrijding redelijke termijn

5.1.

Appellant heeft ten slotte verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.2.

In een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zie de uitspraak van 4 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3121.

5.3.

De procedure heeft op het moment van deze uitspraak vanaf het indienen van het bezwaarschrift op 31 augustus 2012 vijf jaar en ruim vier maanden geduurd. De overschrijding bedraagt dus in totaal één jaar en ruim vier maanden. Tussen partijen is niet in geschil dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn, dus ook de verdere overschrijding die heeft plaatsgevonden nadat het dagelijks bestuur het bestreden besluit had genomen, volledig voor rekening van het dagelijks bestuur komt. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

5.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is in het algemeen een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval bedraagt de door het dagelijks bestuur te vergoeden immateriële schade in totaal € 1.500,-. Aangezien het dagelijks bestuur daarvan al € 500,- heeft vergoed, wordt het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot het resterende bedrag van € 1.000,-.

6. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en beroep. Deze kosten worden begroot op € 501,- in bezwaar en € 1.002,- in beroep bij de Raad wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.503,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade

wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.503,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 46,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.E. Bon

HD