Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
17/986 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ten onrechte met toepassing van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW bepaald dat appellant geen recht heeft op een faillissementsuitkering. Vernietiging uitspraak. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het Uwv zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij het Uwv alsnog zal moeten vaststellen wat de omvang van het recht van appellant op grond van artikel 64, eerste lid, van de WW is in verband met de geëindigde dienstbetrekking met werkgeefster. Toewijzing verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/203
USZ 2019/3 met annotatie van S.E. Heeger-Hertter
INS-Updates.nl 2018-0220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 986 WW

Datum uitspraak: 15 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

20 december 2016, 16/1928 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Namens appellant is mr. Bek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellant was vanaf 6 mei 2002 fulltime in dienst van [BV] (werkgeefster) te [gemeente] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na een verkeersongeval op 17 juni 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 16 juni 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant heeft laatstelijk aangepaste werkzaamheden verricht gedurende gemiddeld 25 uur per week.

1.1.2.

Bij vonnis van 3 december 2014 (ECLI:NL:RBOVE:2014:6239) is werkgeefster door de kantonrechter van de rechtbank Overijssel veroordeeld tot, onder meer, het verrichten van achterstallige stortingen in het Tijdspaarfonds ten behoeve van appellant, betaling van achterstallig loon en betaling van toekomstig loon. De kantonrechter heeft daarbij termijnen gesteld, waaraan werkgeefster zich, op verbeurte van dwangsommen bij in gebreke blijven, had te houden. Appellant heeft het vonnis van de kantonrechter ter executie verzonden naar de deurwaarder. Deze heeft het vonnis op 15 december 2014 betekend aan werkgeefster en een dwangbevel tot betaling gedaan. Dit heeft geleid tot besprekingen tussen appellant en werkgeefster.

1.1.3.

Als uitvloeisel van hun besprekingen hebben appellant en werkgeefster op
19 december 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij zij met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst met ingang van 27 mei 2015 hebben beëindigd. Als reden hebben zij in de vaststellingsovereenkomst vermeld dat het niet mogelijk was gebleken appellant te herplaatsen in passend werk, noch bij werkgeefster, noch bij een andere werkgever. Werkgeefster heeft zich bij deze overeenkomst vastgelegd op het binnen een week na ondertekening verrichten van de achterstallige stortingen in het Tijdspaarfonds en het betalen van achterstallig loon en het tot het einde van de arbeidsovereenkomst tijdig voldoen van het loon en verrichten van de stortingen in het Tijdspaarfonds.

1.1.4.

In de periode na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft regelmatig contact plaatsgevonden tussen (gemachtigden van) appellant en werkgeefster, waarbij druk werd uitgeoefend op werkgeefster om betalingen te verrichten. Dit resulteerde in deelbetalingen en toezeggingen om weer betalingen te doen, wanneer er weer financiële middelen zouden zijn door bijvoorbeeld ontvangst van betalingen door klanten.

1.1.5.

Ook ten aanzien van andere (ex-)werknemers had werkgeefster betalingsachterstanden. Door de vakbond werd zowel namens appellant als namens andere werknemers druk uitgeoefend op werkgeefster. Daarnaast werd door of namens individuele werknemers actie ondernomen. Zo is namens een werknemer op 25 maart 2015 beslag gelegd op de bankrekening van werkgeefster. Dit bleek geen soelaas te bieden, omdat deze rekening een negatief saldo had van € 351.777,81. Op 8 april 2015 is door de deurwaarder beslag gelegd onder de Belastingdienst, maar ook dat leverde geen resultaat op.

1.1.6.

Medio 2015 is overwogen het faillissement van werkgeefster aan te vragen, maar de werknemers die nog bij werkgeefster in dienst waren, waren aanvankelijk niet bereid daaraan mee te werken en zijn akkoord gegaan met een betalingsregeling. Hierdoor was het voor appellant niet mogelijk een steunvordering te verkrijgen.

1.1.7.

Op het moment waarop de overige werknemers wel bereid waren het faillissement aan te vragen bleek werkgeefster inmiddels zelf haar faillissement te hebben aangevraagd.

1.1.8.

Werkgeefster is op 29 januari 2016 failliet verklaard.

1.2.

Appellant heeft op 18 februari 2016 het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van werkgeefster wegens betalingsonmacht over te nemen (faillissementsuitkering).

1.3.

Bij besluit van 18 maart 2016 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een faillissementsuitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 27 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de reden van de beëindiging van het dienstverband duidelijk samenhangt met de slechte financiële positie van werkgeefster en was er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep erkend dat zijn dienstverband reeds was geëindigd voordat het faillissement van werkgeefster werd uitgesproken en dat niet eerder dan op de faillissementsdatum sprake was van een blijvende toestand van opgehouden hebben te betalen in de zin van artikel 61 van de WW. Volgens appellant had hij echter toch recht op een faillissementsuitkering, omdat sprake was van een situatie als omschreven in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, nu hij uitsluitend als gevolg van het faillissement van werkgeefster zijn recht op betaling niet geldend kon maken. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de gemiste uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv was geen sprake van en situatie als omschreven in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 62, eerste lid, van de WW luidt:

Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de werknemer, wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, tenzij:

a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden, die tot die toestand hebben geleid; of

b. de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61 en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand.

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat werkgeefster niet eerder dan op de datum van het faillissement, 29 januari 2016, is komen te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61 van de WW. Ook zijn partijen het erover eens dat de dienstbetrekking van appellant op
27 mei 2015, dus daarvoor, is geëindigd, zodat appellant op grond van de hoofdregel neergelegd in de aanhef van artikel 62, eerste lid, van de WW geen aanspraak heeft op een faillissementsuitkering. Partijen zijn het er ook over eens dat geen sprake is van een duidelijke samenhang tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking hebben geleid en de omstandigheden die hebben geleid tot het faillissement van werkgeefster, zodat de uitzondering van artikel 62, eerste lid, onder a, van de WW niet aan de orde is. Het geschil betreft uitsluitend de vraag of een uitzondering als beschreven in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW aan de orde is.

4.3.1.

In het bestreden besluit heeft het Uwv zijn standpunt, dat een situatie als beschreven in artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW niet aan de orde is, onderbouwd met de stelling dat appellant zijn vordering al geldend had kunnen maken toen werkgeefster nog wel in staat was te betalen. Het Uwv heeft er in dit verband op gewezen dat gebleken is dat werkgeefster nog betalingen heeft verricht aan andere werknemers over de periode tot
27 mei 2015 en zelfs tot en met 27 november 2015 en voor een deel tot 1 januari 2016. Ook appellant zelf heeft wel enkele betalingen ontvangen. Dit betekent, zo heeft het Uwv in het bestreden besluit geconcludeerd, dat werkgeefster wel in staat was om betalingen te verrichten en alleen vanwege onwil niet alle betalingen aan appellant heeft gedaan. Daarom zijn de bedragen die niet zijn voldaan in de visie van het Uwv niet uitsluitend als gevolg van het faillissement van werkgeefster niet voldaan.

4.3.2.

In beroep heeft het Uwv, in het verweerschrift, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6408, het belang benadrukt van voortvarende en gerichte actie van de werknemer bij het uitblijven van betaling. Wanneer geen sprake is van een dergelijke voortvarende en gerichte actie ligt volgens het Uwv de conclusie in de rede dat het niet geldend kunnen maken van de vordering niet uitsluitend het gevolg is van betalingsonmacht. Het Uwv heeft hier opnieuw het betalen van loon aan de overige werknemers genoemd. In hoger beroep heeft het Uwv zijn standpunt niet nader onderbouwd of toegelicht.

4.4.

Zoals blijkt uit eerdere rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van
5 maart 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF5823) is de bepaling waar het hier om gaat in de wet opgenomen omdat de wetgever heeft onderkend dat er situaties zijn waarin de werknemer wel recht heeft op loon, maar dit recht niet te gelde kan maken in verband met later opgetreden betalingsonmacht van de werkgever, zonder dat het ontslag in relatie staat tot die betalingsonmacht. De wetgever heeft het aangewezen geacht ook hierin te voorzien. Daarbij is benadrukt dat de onmogelijkheid de loonvordering te effectueren het gevolg moet zijn van de betalingsonmacht en dat als een werknemer zijn loonvordering reeds geldend had kunnen maken toen de werkgever nog in staat was te betalen, hij geen recht heeft op een uitkering, omdat het niet geldend kunnen maken van de vordering dan niet rechtstreeks voortvloeit uit de betalingsonmacht van de werkgever (Kamerstukken II, 1985/86, 12 261, nr. 11, blz. 8). Gelet hierop is in de rechtspraak van beslissende betekenis geacht of aangenomen moet worden dat bij voldoende voortvarende en gerichte actie van de werknemer de werkgever de vordering reeds zou hebben voldaan indien deze niet in de toestand van blijvende betalingsonmacht zou zijn geraakt. Is van een dergelijke voortvarende en gerichte actie geen sprake geweest, dan ligt de conclusie in de rede dat het niet geldend kunnen maken van de vordering niet uitsluitend het gevolg is van betalingsonmacht en mist artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW toepassing. Daarbij is zowel van belang wat de werknemer heeft ondernomen om tot vaststelling van zijn aanspraak jegens de werkgever te komen als hetgeen hij vervolgens heeft gedaan om de aanspraak geldend te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1924).

4.5.

Gelet op de in 1.1 vermelde pogingen werkgeefster ertoe te brengen de vorderingen alsnog te voldoen, bezien tegen de daar omschreven achtergrond, is hier sprake van een tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie van appellant. Het is dan ook aannemelijk dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend wegens het bestaan van betalingsonmacht van werkgeefster niet geldend gemaakt konden worden. Anders dan door het Uwv gesuggereerd, hebben de andere werknemers in de periode waarin de betalingen aan appellant (deels) uitbleven hun betalingen ook niet zonder problemen ontvangen. Daarbij is niet zonder belang dat zij, anders dan appellant, een extra drukmiddel hadden in die zin dat zij konden weigeren zonder betaling verder te werken, zodat werkgeefster in dat geval geen inkomsten meer kon genereren. Appellant had die mogelijkheid niet aangezien zijn arbeidsovereenkomst al was geëindigd. Dat appellant, na het uitoefenen van druk op werkgeefster, een deel van zijn betalingen heeft ontvangen wil niet zeggen dat werkgeefster ook hetgeen verder aan appellant verschuldigd was, had kunnen betalen en dat de oorzaak van het niet betalen daarvan was gelegen in onwil van de zijde van werkgeefster, zoals het Uwv in het bestreden besluit heeft geconcludeerd. Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken die wijzen op onwil van werkgeefster. Veeleer lijkt het er op dat er bij werkgeefster, ondanks het nog niet ingetreden zijn van een toestand van blijvende betalingsonmacht, simpelweg te weinig geld binnenkwam om alle betalingen aan haar (ex-)werknemers te verrichten. Gelet op het gegeven dat het voor appellant bij het ontbreken van een steunvordering niet mogelijk was het faillissement van werkgeefster aan te vragen en gelet op wat in 1.1.5 is overwogen over de door of namens andere werknemers ondernomen acties, valt niet in te zien wat appellant in redelijkheid meer had kunnen doen om zijn vordering op werkgeefster geldend te maken vóór het faillissement.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv ten onrechte met toepassing van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW heeft bepaald dat appellant geen recht heeft op een faillissementsuitkering. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Ter zitting is besproken wat de consequenties bij een vernietiging van het bestreden besluit zouden moeten zijn. Met inachtneming van hetgeen door appellant naar voren is gebracht over diens vorderingen en gelet op de onmogelijkheid voor de Raad om vast te stellen wat de omvang van die vorderingen is, zal het Uwv worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit nemen, waarbij het Uwv alsnog zal moeten vaststellen wat de omvang van het recht van appellant op grond van artikel 64, eerste lid, van de WW is in verband met de geëindigde dienstbetrekking met werkgeefster. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van

artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Het verzoek van appellant om een veroordeling tot het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente over de uitkering die alsnog zal worden betaald, komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor rechtsbijstand in beroep, € 10,60 voor reiskosten van appellant in beroep, € 42,- voor verletkosten van appellant in beroep en € 1.002,- voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.056,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 juli 2016;

  • -

    bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering toe;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de door appellant gemaakte kosten tot een bedrag van € 2.056,60;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en
W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.A.A. Traousis

SSa