Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
17/813 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijstand terecht afgewezen op de grond dat betrokkene niet woonde op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 813 PW

Datum uitspraak: 14 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 december 2016, 16/4321 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 juli 2018. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 7 januari 2016 heeft appellant zich gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Participatiewet (PW) en diezelfde dag de aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant opgegeven dat hij woont op het adres [adres] (opgegeven adres), waar ook zijn moeder en stiefvader wonen. Appellant staat in de basisregistratie personen sinds 24 december 2015 ingeschreven op het opgegeven adres.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben handhavers van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Aanleiding voor dit onderzoek was onder meer het feit dat appellant diverse malen in een korte periode is verhuisd en bij een eerdere aanvraag heeft verklaard elders te wonen. In het kader van het onderzoek hebben de handhavers onder meer dossieronderzoek verricht en op 19 februari 2016 een huisbezoek afgelegd en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 22 februari 2016.

1.3.

Bij besluit van 24 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet woont op het opgegeven adres en dat zijn woonsituatie onduidelijk is, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat niet duidelijk is op grond waarvan wordt bepaald of iemand niet op het opgegeven adres woont en dat de omstandigheid dat hij regelmatig op een ander adres verblijft niet betekent dat hij niet woont op het opgegeven adres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 7 januari 2016, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 24 februari 2016, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is daarbij verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937), is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid,

van de PW voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Appellant is bij het op 19 februari 2016 afgelegde huisbezoek niet aangetroffen. Nadat was aangebeld deelde een man via de intercom mee dat appellant in Afrika verbleef. Ook is appellant niet verschenen op een uitnodiging voor een gesprek op 22 februari 2016. In een tijdens de bezwaarfase verstuurd e-mailbericht van 9 maart 2016 heeft appellant voorts vermeld dat hij in een eerder verzonden e-mailbericht heeft uitgelegd waarom hij niet verblijft op het opgegeven adres. Verder heeft appellant in e-mailberichten van 9 en 10 maart 2016 te kennen gegeven dat hij een ‘zwerversbestaan’ bij vrienden en familie leidt, dat hij wel is ingeschreven op het adres van zijn moeder maar het wonen op dat adres niet lang volhoudt en daarom al enige tijd logeert bij een vriend in Friesland en ook bij andere vrienden en bij familie verblijft. Het college heeft zich op grond van deze concrete feiten en omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het opgegeven adres, dat zijn woonsituatie overigens onduidelijk is en dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J. Smolders

LO