Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
16/233 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AOW. Gezamenlijke huishouding. In periode 2 is sprake van een gezamenlijk hoofdverblijf gedurende 6 maanden per jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 233 AOW, 16/235 AOW

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

30 november 2015, 15/3441 en 15/3922 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats 1] (Frankrijk), (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats 2]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.A.H. Matthijssen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Matthijssen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen elk een ongehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), appellant sinds 1 juli 1997 en appellante sinds 1 augustus 2002. Appellant stond van 4 april 1973 tot 6 maart 2002 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, nu basisregistratie persoonsgegevens, ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres). Op 6 maart 2002 is appellant uitgeschreven van het uitkeringsadres in verband met zijn vertrek naar zijn vakantiewoning in

[woonplaats 1] , Frankrijk (vakantiewoning in Frankrijk). Appellante staat sinds

14 maart 1974 ingeschreven op het uitkeringsadres. Bij de toekenning van de ongehuwdenpensioenen is de Svb op basis van een in 1997 verricht onderzoek, waarbij appellanten hebben verklaard geen gezamenlijke bezittingen en bankrekeningen te hebben, uitgegaan van een commerciële relatie tussen appellanten.

1.2.

Naar aanleiding van zes anonieme meldingen in 2012 en 2013 dat appellante met appellant zou samenwonen, hebben toezichthouders in dienst van de Svb (toezichthouders) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende ouderdomspensioenen. In dat kader hebben de toezichthouders onder meer dossieronderzoek gedaan, in de periode van 5 november 2013 tot en met 23 november 2013 en op 12 februari 2015 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres, op 17 februari 2014 een huisbezoek aan de woning op het uitkeringsadres afgelegd, appellanten op 20 februari 2014 gehoord, de bankafschriften van appellanten onderzocht en informatie ingewonnen bij de gemeente waarin de vakantiewoning in Frankrijk is gelegen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 april 2014/19 mei 2014.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft de Svb bij afzonderlijke besluiten van

22 augustus 2014 het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 juli 1997 en het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 augustus 2002 herzien naar de norm voor een gehuwde.

1.4.

Hangende bezwaar heeft de Svb aanvullend onderzoek verricht, bestaande uit een buurtonderzoek nabij het uitkeringsadres. De bevindingen van dit aanvullende onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 december 2014.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 3 maart 2015 (bestreden besluiten) heeft de Svb de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden. Appellanten hebben dit niet aan de Svb gemeld. Appellanten hebben daarmee de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan ten onrechte ongehuwdenpensioenen zijn verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellanten betwisten dat zij in de periode van 1 juli 1997 tot 1 juni 2011 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Volgens appellanten bieden de onderzoeksbevindingen van de Svb daarvoor onvoldoende feitelijke grondslag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten bestrijden niet dat zij vanaf 1 juni 2011 een gezamenlijk huishouding voerden. Dit betekent dat de periode in geding ten aanzien van appellant loopt van 1 juli 1997 tot 1 juni 2011 en ten aanzien van appellante van 1 augustus 2002 tot 1 juni 2011.

4.2.

De besluiten tot herziening van ouderdomspensioen zijn belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het bestuursorgaan rust.

Periode van 1 juli 1997 tot 1 maart 2002 (periode 1)

4.3.

Niet in geschil is dat appellanten in periode 1 beiden woonachtig waren in de woning op het uitkeringsadres. Daarmee is aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding voldaan. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan de wederzijdse zorg blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten.

4.4.

De bevindingen van het onder 1.2 vermelde onderzoek, waarvan in het bijzonder de op

20 februari 2014 door appellanten afgelegde verklaringen, bieden voldoende steun voor het standpunt van de Svb dat in het geval van appellanten ook is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Daarbij wordt betekenis toegekend aan de omstandigheid dat appellanten, anders dan zij in 1997 in de door hen ingevulde checklist hebben vermeld, in 1977 tot gezamenlijke aankoop van de onder 1.1 vermelde vakantiewoning in Frankrijk zijn overgegaan en sindsdien het gezamenlijk eigendom van die woning hebben. Verder is van betekenis dat zij, eveneens anders dan zij in de checklist hebben vermeld, sinds 1978 een gezamenlijke bankrekening in Frankrijk hebben. Voorts is van belang dat appellanten hebben verklaard dat zij gebruikmaakten van elkaars bankpassen. Tot slot is van betekenis dat appellanten in ieder geval in 1990 testamenten hebben opgemaakt waarbij zij over en weer elkaar als erfgenaam hebben aangewezen. Voornoemde feiten en omstandigheden gaan wat in een zakelijke kostgangersrelatie gebruikelijk is te boven en wijzen uit dat appellanten blijk gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat appellanten in periode 1 een gezamenlijke huishouding voerden. Door van het voeren van een gezamenlijke huishouding geen melding te maken aan de Svb heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Svb was dan ook gehouden tot herziening van het ouderdomspensioen over deze periode.

Periode 1 maart 2002 tot 1 juni 2011 (periode 2)

4.6.

Appellanten stonden in periode 2 niet op hetzelfde adres ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.7.

De Svb heeft zijn standpunt dat appellant in periode 2 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, gebaseerd op de omstandigheden dat alle post die betrekking had op de vakantiewoning in Frankrijk, zoals belastingaanslagen en energierekeningen, was geadresseerd aan appellant op het uitkeringsadres en dat appellant in de periode van mei 2006 tot en met januari 2011 een ligplaats voor zijn boot in [gemeente] , vlakbij [woonplaats 2] , had gehuurd. Verder heeft de Svb zich gebaseerd op twee verklaringen van (oud) buurtbewoners van appellante. Deze buurtbewoners hebben appellanten herkend als de bewoners van het uitkeringsadres en zij hebben in de periode dat zij daar woonden appellant geregeld zijn hond zien uitlaten. De Svb heeft voorts nog van belang geacht dat appellanten op 20 februari 2014 hebben verklaard dat appellant maximaal zes maanden per jaar in de woning op het uitkeringsadres verblijft.

4.8.

Anders dan waarvan de rechtbank en de Svb zijn uitgegaan, bieden de onder 4.7 genoemde feiten en omstandigheden een ontoereikende grondslag voor de conclusie dat appellant in periode 2 onafgebroken zijn hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres. Appellanten voeren terecht aan dat de ligplaats van de boot van appellant in [gemeente] op zichzelf niets zegt over een hoofdverblijf van appellant in de woning op het uitkeringsadres. Hetzelfde geldt voor hantering van het uitkeringsadres als postadres voor alle correspondentie aangaande de vakantiewoning in Frankrijk. Appellante had als mede-eigenaar ook belang bij die correspondentie en zij heeft bovendien gesteld dat zij de administratie voor appellant verrichtte. De twee verklaringen van de buurtbewoners zijn onvoldoende om zonder ander bewijs de conclusie te kunnen dragen dat appellant gedurende de gehele periode 2 wel zijn hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres.

4.9.

Wat in 4.7 en 4.8 is overwogen laat echter onverlet dat appellanten op 20 februari 2014 zelf hebben verklaard dat appellant maximaal zes maanden per jaar in de woning op het uitkeringsadres verbleef. Gelet hierop, in samenhang bezien met de onder 4.7 vermelde verklaringen van de buurtbewoners en de overige onderzoeksbevindingen, heeft de Svb aannemelijk gemaakt dat appellanten in periode 2 gedurende zes maanden per jaar beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning op het uitkeringsadres. Ter zitting heeft appellante geen duidelijkheid kunnen geven welke zes maanden appellant feitelijk in de vakantiewoning in Frankrijk verbleef. In het kader van een praktische toepassing wordt aanleiding gezien deze zes maanden te abstraheren tot een aaneengesloten periode, waarbij wordt uitgegaan van de periode april tot en met september. Dit leidt er toe dat appellant jaarlijks in de overige maanden, zijnde januari tot en met maart en oktober tot en met december, gerekend vanaf het jaar 2002, zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Ook aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan. Daartoe wordt gewezen op wat in 4.4 is overwogen.

Conclusie

4.10.

Uit 4.5 en 4.9 vloeit voort dat de hoger beroepen slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten wegens strijd met de wet vernietigen voor zover die besluiten zien op de herziening van het ouderdomspensioen van appellant over de maanden april tot en met september van de jaren 2002 tot en met 2010 en de maanden april en mei 2011 en op de herziening van het ouderdomspensioen van appellante over de maanden augustus en september 2002, de maanden april tot en met september van de jaren 2003 tot en met 2010 en de maanden april en mei 2011. Aangezien aan de besluiten van 22 augustus 2014 in zoverre hetzelfde, niet te herstellen gebrek kleeft als aan de bestreden besluiten, zal de Raad zelf in de zaken voorzien door deze besluiten in zoverre te herroepen.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de kosten van appellanten. De kosten worden begroot op € 501,- in bezwaar, € 501,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de besluiten van 3 maart 2015 voor zover die besluiten zien op de herziening van het ouderdomspensioen van appellant over de maanden april tot en met september van de jaren 2002 tot en met 2010 en de maanden april en mei 2011 en op de herziening van het ouderdomspensioen van appellante over de maanden augustus en september 2002, de maanden april tot en met september van de jaren 2003 tot en met 2010 en de maanden april en mei 2011;

  • -

    herroept de besluiten van 22 augustus 2014 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de besluiten van 3 maart 2015;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) F. Dinleyici

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

sg