Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
15/8242 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO uitkering ongewijzigd voortgezet. Verzoek om verhoging terecht afgewezen. Geen sprake van een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar. Zorgvuldig medisch onderzoek. Ten onrechte geen arbeidskundige beoordeling per 15 mei 2012, 104 weken na 18 mei 2010. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, zo blijkt uit het rapport van 30 oktober 2017, alsnog over de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 mei 2012 een nader arbeidskundig onderzoek uitgevoerd en heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid op en na die datum 27,43% bedraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0703
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8242 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 oktober 2015, 15/1610 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Aboukir, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aboukir. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Bij brief van 4 december 2017 heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 oktober 2017 ingezonden.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als bank-/metaalwerker voor 40 uur per week. Met ingang van 19 april 2001 is hij uitgevallen met rechterenkelklachten. Verder is sprake van oogklachten en psychische problematiek. Appellant is bij besluit van 25 april 2005 met ingang van 17 april 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In 2006 werd de mate van arbeidsongeschiktheid bij een herbeoordeling ongewijzigd vastgesteld op 25 tot 35%. Met ingang van 29 april 2006 heeft het Uwv het recht op uitkering van appellant ingevolge de Werkloosheidswet beëindigd.

1.2.

Op 20 maart 2014 heeft het Uwv van appellant een melding verslechterde gezondheid ontvangen. Appellant heeft te kennen gegeven dat hem in mei 2010 een auto‑ongeval is overkomen en met ingang van 18 mei 2010 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

1.3.

Bij besluit van 1 september 2014 heeft het Uwv beslist dat de WAO‑uitkering van appellant ongewijzigd wordt voortgezet naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Aan dat besluit lag een medisch onderzoek ten grondslag waarbij enkele aanvullende beperkingen zijn vastgesteld. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

1.4.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts heeft verzuimd medische informatie bij de behandelend sector op te vragen. Met name de knieklachten en psychische klachten zijn wel objectiveerbaar. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant een huisartsenjournaal overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft enkele aanvullende beperkingen naar aanleiding van klachten aan de rechterhand en onderrug die de verzekeringsarts had meegenomen laten vervallen, omdat die klachten niet in een verzekerd tijdvak zijn ontstaan. De eerder in 2003 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft de verzekeringsarts ongewijzigd van toepassing geacht. Wat betreft de wel verzekerde klachten is geoordeeld dat deze niet in ernst zijn toegenomen. Van een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv afgezien.

1.5.

Bij besluit van 11 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 september 2014 ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat de knieklachten, die in de FML van 18 juni 2003 wel meegenomen zijn, een rechtstreeks verband hebben met overbelasting van de rechterenkel. De knieklachten moeten daarom aan de verzekerde enkelklachten worden gerelateerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 11 mei 2015 benadrukt dat de rechterenkel van appellant juist werd ontzien, zodat van overbelasting van die enkel geen sprake was. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat de rechterknieklachten in 2003 niet door de verzekeringsarts geobjectiveerd zijn.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat ter beoordeling voorligt of in de periode 18 mei 2010 tot 18 maart 2014 sprake is geweest van een verslechtering van de medische situatie van appellant. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Appellant heeft zijn standpunt dat hij verdergaand beperkt is niet met medisch objectiveerbare gegevens onderbouwd. Verder heeft appellant geen informatie in geding gebracht waaruit van een verband tussen de knie- en enkelklachten blijkt. Het Uwv heeft, nu er geen toename van de beperkingen is vastgesteld, volgens de rechtbank mogen afzien van een arbeidskundig onderzoek. De rechtbank heeft in dat verband verwezen naar een uitspraak van de Raad van 25 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9851.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verslechtering van de gezondheid met name ziet op de knieklachten. Deze klachten zijn nooit door het Uwv onderzocht en daardoor ook niet geobjectiveerd. De klachten houden volgens appellant rechtstreeks verband met de rechterenkel. Appellant vindt het ten slotte niet juist dat de bewijslast volledig bij hem wordt gelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank heeft de te beoordelen periode waarop de melding van de verslechtering van de gezondheid ziet, vastgesteld van 18 mei 2010 tot datum melding op 18 maart 2014. Daarbij heeft de rechtbank niet onderkend dat de aanspraak op een hogere uitkering ingevolge de WAO is gebaseerd op artikel 37 van de WAO. In artikel 37 van de WAO is – kort samengevat en voor zover van belang – bepaald dat een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid, onverminderd artikel 39a van de WAO, plaatsvindt zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd. In artikel 37, tweede lid, van de WAO is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaatsvindt indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen. Onverminderd artikel 39a ligt dus op grond van artikel 37 van de WAO de vraag voor of het Uwv terecht heeft geweigerd de WAO-uitkering 104 weken na 18 mei 2010, dus op 15 mei 2012, te herzien.

4.3.

Vastgesteld wordt dat op de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per

18 mei 2010 artikel 39a van de WAO niet van toepassing is, omdat geen sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Na toekenning van een WAO‑uitkering aan appellant met ingang van 17 april 2002, is deze niet meer herzien zodat de termijn van vijf jaar om tot herziening van de uitkering op grond van artikel 39a, eerste lid, van de WAO te kunnen overgaan, reeds op 17 april 2007 was verstreken.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. De artsen van het Uwv waren op de hoogte van de door appellant gestelde klachten en hebben deze kenbaar in hun overwegingen betrokken. Verder is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer beperkt is dan door het Uwv is vermeld. De stelling van appellant dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn knieklachten wordt niet gedeeld. Verder zijn de klachten aan de hand en onderrug, waarvoor appellant zich in 2010 toegenomen arbeidsongeschikt meldde, ontstaan in een periode waarover appellant uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO voor die wet verzekerd was. Deze dienen dan ook bij de vaststelling van de belastbaarheid rond mei 2012 buiten beschouwing te blijven. De stelling van appellant dat sprake is geweest van een toename van psychische problematiek heeft appellant onvoldoende met objectief medische gegevens onderbouwd.

4.5.

Vastgesteld wordt dat bij het bestreden besluit geen arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden per 15 mei 2012, 104 weken na 18 mei 2010. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld moet op grond van vaste rechtspraak van de Raad in geval van een beoordeling op grond van artikel 37, tweede lid, van de WAO wel worden onderzocht of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden. Dit in verband met het in het eerste lid van artikel 37 van de WAO voorkomende algemene arbeidsongeschiktheidsbegrip, wat zowel uit een medische als een arbeidskundige component bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4611). Het bestreden besluit berust in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet op een voldoende motivering.

4.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft, zo blijkt uit het rapport van 30 oktober 2017, alsnog over de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 mei 2012 een nader arbeidskundig onderzoek uitgevoerd en heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid op en na die datum 27,43% bedraagt. Daarmee blijft de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd ingedeeld in de klasse 25 tot 35% en is het verzoek om verhoging van de WAO‑uitkering met juistheid afgewezen. Hierbij is in aanmerking genomen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de signaleringen bij de voorgehouden functies overtuigend heeft gemotiveerd. De stelling van appellant in de brief van 23 februari 2018, dat de motivering van de geschiktheid voor de voorgehouden functies onvoldoende deugdelijk is, slaagt niet. Daarvan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van 14 maart 2018 afdoende toegelicht dat enkele aspecten waarvoor een beperking bestaat, zoals het vasthouden van de aandacht en het vermijden van productiepieken, niet in de geselecteerde functies voorkomen, dan wel gezien de aard van de werkzaamheden geen probleem opleveren. Geen aanleiding bestaat om die toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet te volgen.

4.7.

Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen is aannemelijk dat belanghebbenden niet zijn benadeeld. Ook als de gebreken zich niet zouden hebben voorgedaan zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep (beroepschrift en bijwonen zitting) en op € 1.002,- in hoger beroep (hoger beroepschrift en bijwonen zitting), in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) M.D.F. de Moor

NW