Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
17/4810 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4944, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb terecht op nihil vastgesteld en teruggevorderd. Niet voldaan aan de aan het pgb verbonden administratieve verplichtingen. Het op nihil vaststellen van het pgb is niet onredelijk te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4810 AWBZ

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 juni 2017, 15/8337 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor )

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018. Voor appellant is mr. Groen verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de periode van 15 juli 2014 tot en met 31 december 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 12.061,64 (netto).

1.2.

Appellant heeft op het, op 28 januari 2015 ingediende, verantwoordingsformulier vermeld dat hij in de onder 1.1 genoemde periode een bedrag van € 12.046,29 heeft betaald aan [zorgverlener] voor verleende zorg in de vorm van persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep. Het verantwoordingsformulier is voor akkoord getekend door de moeder van appellant die tot 22 januari 2015 bewindvoerder van appellant was.

[naam] was bewindvoerder van appellant in de periode van 22 januari 2015 tot datum opheffing van het bewind op 31 december 2016.

1.3.

Bij besluit van 10 april 2015 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor de periode van 15 juli 2014 tot en met 31 december 2014 vastgesteld op nihil en het onder 1.1 genoemde bedrag van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2015 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor, voor zover hier van belang, het door appellant tegen het besluit van 10 april 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden administratieve verplichtingen. Na een belangenafweging heeft het zorgkantoor geen aanleiding gezien af te zien van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (een gedeelte van) de verleende zorg ten laste van het pgb mag worden gebracht. Daartoe is overwogen dat de in bezwaar toegestuurde toelichting op de zorg te algemeen van aard is, dat op de hoorzitting is verklaard dat geen begeleiding groep is verleend, dat de op de hoorzitting genoemde door de zorgverlener met appellant ondernomen activiteiten niet vallen onder begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, dat huishoudelijke hulp gelet op de indicatie van appellant niet uit het pgb betaald mocht worden en dat de gefactureerde uren voor persoonlijke verzorging niet overeenkomen met de tijdens de hoorzitting aangegeven tijdsbesteding. Er wordt ten slotte geen aanleiding gezien af te zien van de terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellant overgelegde administratie niet voldoet aan de eisen van artikel 2.6.9 van de Rsa. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheden tot vaststelling van het pgb op nihil en tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de door hem aangedragen informatie en overgelegde stukken

de verantwoorde bedragen voor zorgverlener [zorgverlener] ten onrechte (volledig) zijn afgekeurd. Voorts had bij de belangenafweging rekening moeten worden gehouden met de medische situatie en de kwetsbare positie van appellant. Hij is van kinds af aan onder begeleiding en behandeling van diverse instanties en hij heeft onder toezicht en onder beschermingsbewind gestaan. Door de terugvordering wordt appellant opnieuw jarenlang belast met een verplichting tot terugbetaling en een leven onder het bestaansminimum.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het, onder verwijzing naar de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1123, ter zitting gehouden betoog van de gemachtigde van appellant dat de juiste bewindvoerder alsnog in staat moet worden gesteld om de besteding van het pgb (nader) te verantwoorden, slaagt niet. Daargelaten dat hier sprake is van een andere situatie dan in de bovengenoemde uitspraak aan de orde was, blijkt onomstotelijk uit de stukken dat bewindvoerder

[naam] met de, door de vorige bewindvoerder voor akkoord getekende, ingediende verantwoording bekend was en deze met een ondertekend schrijven van 16 april 2015 volledig voor haar rekening heeft genomen.

4.3.

Appellant heeft op de hoorzitting in bezwaar verklaard dat aan hem geen begeleiding groep is verleend, terwijl daarvoor wel bedragen zijn verantwoord, gefactureerd en betaald vanuit het pgb. Daarmee staat vast dat het pgb niet volledig is besteed aan AWBZ-zorg zodat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 2.6.9, eerste lid, onder a, van de Rsa. Daarnaast wordt door appellant niet betwist dat de overgelegde administratie niet voldoet aan de eisen van artikel 2.6.9, eerste lid, onder c, van de Rsa. Het zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.4.

. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij die lagere vaststelling een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de verzekerde onevenredige uitkomst. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(en) en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Ook is daarbij van belang of de verzekerde, ondanks dat door hem niet aan de gestelde verplichting(en) is voldaan, voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat, en in welke omvang, ABWZ-zorg is verleend en dat deze zorg ook daadwerkelijk is betaald. Nu de bewijslast in deze op de verzekerde rust, draagt hij het bewijsrisico. Als door hem onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt dat, en in welke omvang, AWBZ-zorg is verleend en betaald, dient zijn belang in beginsel te wijken voor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(en).

4.5.

De verantwoording van de besteding van het pgb is de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde, ook indien het beheer van het pgb vanwege de beperkingen en kwetsbaarheid van de verzekerde door een derde – waaronder de bewindvoerder – wordt verricht. Eventuele fouten van die derde bij de (verantwoording van) de besteding van het pgb, komen in de relatie tussen appellant en het zorgkantoor voor rekening en risico van appellant.

4.6.

De Raad is met het zorgkantoor van oordeel dat het zorgplan te algemeen van aard is. Daaruit wordt onvoldoende duidelijk hoe de zorg aan appellant werd vormgegeven en wat de werkzaamheden en de werkwijze van de [zorgverlener] concreet inhielden. Uit de door, en namens, appellant op de hoorzitting in bezwaar verstrekte informatie is voorts gebleken dat een deel van de verleende zorg geen AWBZ-zorg betreft. Ten aanzien van de overige verleende zorg is niet inzichtelijk gemaakt dat het om AWBZ-zorg gaat dan wel is onvoldoende inzicht gegeven in de omvang van de verleende zorg en de concreet daaraan te koppelen betalingen. Deze onduidelijkheden zijn door appellant in de loop van de procedure niet weggenomen.

4.7.

Nu niet duidelijk is geworden dat appellant (een deel van) zijn pgb heeft besteed aan AWBZ-zorg en gelet op wat in 4.4 is overwogen, is het op nihil vaststellen van het pgb niet onredelijk te achten.

4.8.

De door appellant aangevoerde omstandigheden leiden er voorts niet toe dat het zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Niet is gebleken dat de terugvordering bij appellant tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Het zorgkantoor zal bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moeten houden met de bescherming van de beslagvrije voet.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen

uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.A.A. Traousis

KS