Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2594

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
16/926 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende rekening gehouden met psychische en lichamelijke problemen. Met de belasting in de geselecteerde voorbeeldfuncties wordt de belastbaarheid van appellant niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 926 WIA

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2015, 15/2840 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018. Namens appellant is verschenen mr. Van de Laar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als vrachtwagenchauffeur voor gemiddeld 51,25 uur per week. Appellant heeft zich op 19 oktober 2012 vanuit een situatie waarin hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens een toename van gewrichts- en evenwichtsklachten. Appellant heeft daarnaast last van hypertensie en longklachten. Appellant heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 18 december 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 17 oktober 2014 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts van 29 september 2014 en van een arbeidsdeskundige van 25 november 2014, waarin het standpunt is neergelegd dat appellant beperkingen heeft als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en dat hij met de voor hem geselecteerde functies een loon kan verdienen dat minder dan 35% lager ligt dan het loon dat hij verdiende in het werk van vrachtwagenchauffeur.

1.2.

In bezwaar tegen het besluit van 18 december 2014 heeft appellant gesteld dat zijn beperkingen niet goed in kaart zijn gebracht. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 4 augustus 2015 geconcludeerd dat wat appellant in bezwaar heeft aangevoerd, mede gelet op de in bezwaar verkregen informatie van de behandelend artsen, aanleiding geeft om de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op enkele punten te wijzigen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens blijkens een rapport van 13 augustus 2015 een onder de SBC-code 111220 vallende functie vervangen, als gevolg waarvan de mediane functie is gewijzigd, en aan de hand van wat appellant kan verdienen met de geselecteerde voorbeeldfuncties berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 33,9% bedraagt. Bij besluit van

13 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het door het Uwv verrichte medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. Niet is gebleken dat de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistenties bevat of dat deze rapportage niet concludent is. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen, noch voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ermee bekend was dat appellant lichamelijke en psychische klachten had en dat er geen reden is om aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen (nieuwe) medische verklaringen heeft overgelegd die zijn stellingen onderbouwen. De subjectieve klachtenbeleving van appellant is volgens de rechtbank geen toereikende basis om meer medische beperkingen aan te nemen dan in de FML van 28 juli 2015 zijn neergelegd. De stelling van appellant dat hij in maart 2015 een breuk van de humeruskop heeft opgelopen doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het eerder overwogene, nu dit voorval heeft plaatsgevonden na de datum in geding van

17 oktober 2014. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij per 17 oktober 2014 voor meer dan 35% arbeidsongeschikt was en dus voor een WIA-uitkering in aanmerking had moeten komen. Hij heeft in dit kader gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische en lichamelijke problemen, dat het Uwv bij zijn beoordeling is uitgegaan van te oude en onvolledige medische rapportages en bovendien geen rekening heeft gehouden met het feit dat zijn situatie in de loop der tijd is verslechterd. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van meer beperkingen heeft appellant een brief van 2 februari 2016 van zijn huisarts in geding gebracht, alsmede een foto van zijn rug van 12 juni 2017 en een medicijnenlijst van zijn apotheek over de periode van 1 juni 2018 tot en met 14 juni 2018.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 maart 2016 gereageerd op de brief van 2 februari 2016 van de huisarts.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van dezelfde overwegingen als de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is geweest van zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, appellant gezien tijdens de hoorzitting, lichamelijk en psychisch onderzoek gedaan en de opgevraagde informatie van neurologen, cardioloog, longarts en psychiater bestudeerd. In het rapport van 4 augustus 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat aanleiding bestaat de door de verzekeringsarts opgestelde FML te herzien, en deze wijzigingen neergelegd in de FML van 28 juli 2015. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistenties bevat of dat dit rapport niet concludent is.

4.2.

Ook het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding wordt gezien te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat wordt onderschreven. Appellant heeft zijn stelling dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische en lichamelijke problemen, waaronder knieklachten, in hoger beroep onderbouwd met informatie van 2 februari 2016 van zijn huisarts, een foto van zijn rug van 12 juni 2017 en een medicijnenlijst van zijn apotheek over de periode van 1 juni 2018 tot en met 14 juni 2018. Het, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, door het Uwv ingenomen standpunt dat de informatie van de huisarts van 2 februari 2016 niet ziet op de datum in geding van 17 oktober 2014, wordt onderschreven. Ook de foto van de rug van appellant van 12 juni 2017 en de medicijnenlijst over de periode van 1 juni 2018 tot en met 14 juni 2018 zien niet op de datum in geding. Hieraan wordt nog toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was met de rugklachten van appellant. In reactie op de hoger beroepsgronden van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 maart 2016 uiteengezet dat appellant nooit specifieke knieklachten heeft geuit, en dat ook uit het onderzoek van de knieën meermaals niets afwijkends bleek. De in het dossier opgenomen gegevens bevestigen dit. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat ten onrechte geen rekening is gehouden met schouderklachten na een ongeval. De rechtbank heeft op dit punt met juistheid overwogen dat dit ongeval, waarbij appellant een breuk van de humeruskop heeft opgelopen, heeft plaatsgevonden in maart 2015, en dat de gevolgen hiervan niet relevant zijn voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding van

17 oktober 2014.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 juli 2015 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschreden.

4.5.

Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) R.H. Budde

CVG