Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
15/6073 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische grondslag. Geselecteerde functies zijn passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6073 WIA

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 juli 2015, 15/687 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.E. Temmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Temmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Het Uwv heeft een aanvullend rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Appellante heeft op dit rapport gereageerd en nadere stukken ingezonden.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerkster voor ongeveer 30 uur per week. Op 9 januari 2006 heeft zij zich voor dit werk ziek gemeld met psychische klachten. Per einde wachttijd, 28 februari 2008, is zij in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 80 tot 100%. Vanaf 28 augustus 2010 heeft zij een WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangen. Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 18 augustus 2014 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante wegens fibromyalgie, emfyseem en op overige specifieke persoonlijkheidsstoornis verminderde benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid heeft, maar met inachtneming van de voor haar in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 april 2014 vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht om per 10 juni 2014 meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.2.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 29 december 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op 12 december 2014 op een tweetal beoordelingspunten aangevuld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond van de aangevulde FML deels nieuwe functies geselecteerd en geconcludeerd dat appellante onverminderd in staat is om ten minste 65% van haar zogeheten maatmaninkomen te verdienen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, geoordeeld dat er voldoende zorgvuldig medisch onderzoek is verricht en dat er, gelet op de beschikbare gegevens, niet te geringe medische beperkingen voor appellante zijn vastgesteld. De door appellante in beroep overgelegde informatie vormt volgens de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen. Voorts wordt de belastbaarheid van appellante in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies volgens de rechtbank niet overschreden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er onvoldoende beperkingen in de FML van 12 december 2014 zijn vastgesteld. Volgens appellante is er onvoldoende rekening gehouden met haar te hoge cholesterolgehalte, spastische darmkrampen, rugklachten, schouder- en heupklachten, gehoorklachten, psychische klachten, luchtwegklachten en vermoeidheidsklachten. Voorts is volgens appellante bij de vastgestelde urenbeperking ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat zij overdag anderhalf uur bedrust houdt. Appellante heeft verder aangevoerd dat sprake is van een verslechtering van haar cardiale toestand en daarbij verwezen naar door haar in hoger beroep overgelegde brieven van

prof. dr. A.H.E.M. Maas, als cardioloog werkzaam bij Radboud UMC, van 13 juli 2016,

4 november 2016, 17 maart 2017 en 11 september 2017. Verder heeft zij nog gewezen op langjarig bestaande voetproblematiek.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellante tegen de medische grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

In verband met de psychische problematiek zijn in de FML van 12 december 2014 beperkingen onder rubrieken 1 en 2 opgenomen. In verband met haar luchtwegklachten is in de FML een beperking aangenomen op blootstelling aan stof, rook, gassen en dampen en aan huisstofmijt, huisdieren en pluimvee. In verband met het beeld van fybromyalgie zijn ruime beperkingen voor het verrichten van dynamische handelingen aangenomen. Tevens is in de rubriek statische houdingen een beperking voor boven schouderhoogte actief zijn opgenomen. Voorts is vastgelegd dat appellante door verminderde beschikbaarheid vanwege therapie en bijkomende reistijd ongeveer 30 uur per week kan werken met de toelichting dat zij maximaal 34 uur per week kan werken.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 12 december 2014 en zijn aanvullend rapport van 15 december 2015 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de door appellante in bezwaar en beroep naar voren gebrachte klachten geen aanleiding vormen voor het aannemen van verdergaande beperkingen. Door hem is overwogen dat

een hoog cholesterolgehalte op zichzelf geen fysieke beperkingen geeft en dat voor de klachten van de spastische darm met de aanwezigheid van een toilet op de werkplek kan worden volstaan. Op basis van een in bezwaar meegebracht audiogram is door hem overwogen dat bij appellante gebleken is van een eenzijdige gehoorsdip rond 2000 Hz, maar dat geen sprake is van een belangrijke gehoorvermindering. De spraakverstaanbaarheid is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed en een gehoorapparaat is nog niet aan de orde. Door hem is voorts overwogen dat tijdens het door hem verrichte lichamelijk onderzoek niet is gebleken van een bewegingsbeperking in heupen en schouders en evenmin van tekenen van acute ontstekingen of opvallende krachtsvermindering. Redenen om van meer dan de in verband met fibromyalgie toegekende beperkingen uit te gaan, zijn er daarom volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet. Verder is door hem inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de verminderde inspanningstolerantie van appellante ten gevolge van een gedeeltelijk afgenomen longfunctie ruim is opgevangen met de toegekende fysieke beperkingen bij dynamische handelingen, zodat een verdergaande urenbeperking niet is aangewezen.

4.4.

Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om aan de hiervoor weergegeven oordelen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Van het bestaan van een medische noodzaak voor de door appellante aangehouden bedrust overdag is niet gebleken.

4.5.

Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een aanvullend rapport van 25 september 2017 gereageerd op de door appellante ingebrachte brieven van cardioloog Maas. Door hem is overwogen dat er in 2014 geen tekenen waren van ischemie (zuurstoftekort in de hartspier) en dat ook als ervan uitgegaan moet worden dat de thans door cardioloog Maas vastgestelde cardiale problematiek van niet obstructief coronair lijden in 2014 reeds bestond, dit niet kan leiden tot het aannemen van bijkomende beperkingen, omdat bij appellante tot op heden geen sprake is van geobjectiveerde schade aan de hartspier of de hartpompwerking en een verminderde energetische belastbaarheid reeds is verdisconteerd in de aangenomen fysieke beperkingen en urenbeperking. Met de in de FML opgenomen voorwaarden dat appellante is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en zonder veelvuldige deadlines en productiepieken is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende

tegemoetgekomen aan de stressreductie die volgens cardioloog Maas nodig is.

4.6.

De Raad heeft evenmin aanknopingspunten om aan dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de gegevens van de cardioloog inzichtelijk en gemotiveerd besproken. De reacties van appellante op die beoordelingen bieden geen aanknopingspunten dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep relevante gegevens heeft gemist of heeft onderschat. Anders dan appellante in haar reacties op genoemd rapport van 25 september 2017 vermeldt, kan uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden afgeleid dat de gezondheidssituatie van appellante ten tijde hier van belang onvoldoende is onderzocht en haar beperkingen zouden zijn onderschat. De rechtbank wordt daarom gevolgd in haar oordeel dat met de FML van

12 december 2014 in voldoende mate rekening is gehouden met de bij appellante bestaande klachten en beperkingen. Ten aanzien van de door appellante nog aangevoerde klachten aan voeten en benen wordt overwogen dat de op die klachten betrekking hebbende informatie van de orthopedisch chirurg van 3 oktober 2017 niet ziet op de situatie op de datum in geding. Dat geldt ook voor de informatie van de neuroloog van 20 maart 2017.

4.7.

Gelet op de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit wordt de rechtbank eveneens gevolgd in het oordeel dat de voor appellante geselecteerde functies passend zijn, dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 35% en appellante per 18 augustus 2014 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IvR