Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
15/6626 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek overname van betalingsverplichtingen van ([B.V]) wegens betalingsonmacht, hoofdstuk IV WW. Dienstbetrekking. Wel betekenis gehecht aan telefonische informatie van 13 juni 2014. Sprake van een gezagsverhouding tussen appellante en haar echtgenoot. Omstandigheden, waaronder de familierelatie en het hoge loon van appellante, doen niet af aan vastgestelde gezagsverhouding. Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Opdracht aan Uwv voor nieuwe beslissing op bezwaar waartegen rechtstreeks beroep bij de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TRA 2018/43 met annotatie van B.J.M. de Leest
RSV 2018/122
Viditax (FutD), 09-02-2018
FutD 2018-0417
RSV 2018/136
SZR-Updates.nl 2018-0015
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6626 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
24 augustus 2015, 15/673 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.F. Briedé, advocaat, hoger beroep ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Voor appellante, opgeroepen in persoon of bij gemachtigde, zijn verschenen mr. Briedé en [Echtgenoot] , de echtgenoot van appellante (echtgenoot). Voor het Uwv is verschenen mr. I. Smit.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 29 november 2017. Appellante is, daartoe in persoon opgeroepen, verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 6 juni 2014 heeft appellante het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van [naam B.V.] ( [B.V] ) wegens betalingsonmacht over te nemen (faillissementsuitkering). Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat zij geen werknemer was in de zin van artikel 3 van de WW.

1.2.

Bij besluit van 18 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 oktober 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 7 van de CAO voor uta-personeel een arbeidsovereenkomst schriftelijk moet worden aangegaan en dat, nu een schriftelijke arbeidsovereenkomst bij appellante ontbreekt, appellante niet op grond van dezelfde voorwaarden werkzaam was als een andere werknemer binnen het bedrijf. Bovendien voerde appellante haar werkzaamheden uit in een verhouding die volgens het Uwv in overwegende mate werd bepaald door haar (huwelijks)relatie met de eigenaar van het bedrijf en was het element ‘gezagsverhouding’ onvoldoende aanwezig. Daarnaast was het loon van appellante onevenredig hoog.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uitgangspunt in de rechtspraak is dat een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen echtelieden in de regel niet aannemelijk is, omdat gewoonlijk de vereiste gezagsverhouding zal ontbreken. Dit sluit de mogelijkheid niet uit dat de ene echtgenoot werkgeverschap uitoefent over de andere echtgenoot, maar dat kan alleen worden aangenomen als de omstandigheden van het geval daar duidelijk op wijzen. Volgens de rechtbank laten de feiten en omstandigheden zien dat de arbeidsverhouding van appellante en [B.V] in overwegende mate werd beheerst door de (huwelijks)relatie. Van andere omstandigheden die ondanks de (huwelijks)relatie zouden duiden op het bestaan van werkgeversgezag is de rechtbank niet gebleken.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep benadrukt dat zij sinds 1999 in dienst was op basis van mondelinge afspraken. Op dat moment was haar schoonvader nog eigenaar van het bedrijf en ook haar leidinggevende. Haar werkzaamheden bestonden uit het aannemen van de telefoon, het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden, het schenken van koffie en het uitvoeren van administratieve werkzaamheden. Zij werkte gemiddeld 32 uur per maand. Door de rechtbank wordt volgens appellante te veel betekenis gehecht aan het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Bovendien heeft de rechtbank een verkeerde maatstaf aangelegd door te oordelen dat appellante niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat zij geen afwijkende positie had ten opzichte van de werknemers die wel in dienstbetrekking werkzaam waren. Van belang is immers slechts of er sprake was van een gezagsverhouding. De vraag of appellante ten opzichte van andere werknemers een afwijkende positie innam, heeft daar niets mee van doen, noch dat het inkomen van appellante afweek van dat van de andere werknemers. Het enkele feit dat appellante is getrouwd met de zoon van haar voormalige baas, die het bedrijf in 2004 heeft overgenomen betekent niet dat er geen gezagsverhouding meer was. De rechtbank heeft bovendien ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan een telefoonnotitie van het Uwv waaruit blijkt dat er twijfel bestaat over de gezagsverhouding. In het telefoongesprek zijn suggestieve vragen gesteld. Bovendien slikte appellante destijds medicatie, zodat haar antwoorden op de suggestieve vragen niet volledig betrouwbaar zijn. Bij twijfel had het Uwv nader onderzoek moeten doen, maar dat is niet gebeurd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv is gebleken dat appellante het werk uitvoerde in een verhouding die in overwegende mate werd bepaald door de (huwelijks)relatie met de eigenaar van het bedrijf en dat het element ‘gezagsverhouding’ onvoldoende aanwezig was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3 van de WW wordt als werknemer aangemerkt de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4.2.

Op grond van artikel 61 van de WW heeft een werknemer wiens werkgever in staat van faillissement is verklaard recht op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

4.3.

Het geschil betreft de vraag of appellante werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Hiertoe is vereist dat zij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [B.V]

4.4.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Er is dan sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de beantwoording van de vraag of een arbeidsverhouding is aan te merken als een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785).

4.5.

Anders dan ten tijde van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak neemt de Raad niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen (ex-)echtgenoten in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in de arbeidsrelatie tussen (ex-)echtgenoten geen sprake zal zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling zoals die hiervoor onder 4.4 is weergegeven (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1759).

4.6.

In een situatie als deze, waarin appellante een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een faillissementsuitkering op grond van de WW, ligt het in beginsel op haar weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij recht op uitkering heeft.

4.7.

Voorop wordt gesteld dat het enkele feit dat tussen appellante en [B.V] een schriftelijke arbeidsovereenkomst ontbreekt, niet aan het aannemen van een arbeidsovereenkomst in de weg staat. Daarbij is van belang dat vaststaat dat appellante al vanaf 1999 werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [B.V] Voorts staat vast dat appellante hiervoor een (financiële) tegenprestatie ontving. Vraag is daarom of tussen appellante en [B.V] een gezagsverhouding bestond en of de omstandigheden waaronder appellante de werkzaamheden heeft verricht maken dat er geen sprake is van een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW.

4.8.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is voor het bestaan van een gezagsverhouding niet bepalend of in de praktijk opdrachten worden gegeven, maar of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Met het bestaan van deze bevoegdheid is niet in tegenspraak dat in de praktijk geen of weinig opdrachten en instructies worden gegeven, omdat degene die het werk doet weet wat er van hem wordt verwacht en de werkzaamheden naar behoren uitvoert, zodat bijsturing niet of beperkt nodig is (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2799).

4.9.

Voor zover appellante heeft willen betogen dat geen betekenis kan worden gehecht aan de informatie die zij op 13 juni 2014 telefonisch aan een medewerker van het Uwv heeft verstrekt omdat tijdens dit gesprek suggestieve vragen zouden zijn gesteld en zij op dat moment medicatie gebruikte, wordt appellante hierin niet gevolgd. Daarbij is van belang dat de informatie die appellante in dit telefoongesprek heeft verstrekt nagenoeg hetzelfde is als de informatie die zij en haar echtgenoot ter zitting hebben verstrekt. De informatie komt weliswaar niet geheel overeen met de antwoorden die appellante heeft gegeven op het vragenformulier in het kader van het onderzoek naar haar verzekeringsplicht, maar ter zitting is vastgesteld dat ook deze antwoorden niet allemaal correct zijn. Anders dan appellante heeft verklaard genoot zij immers niet dezelfde arbeidsvoorwaarden als het overige personeel, want zij werd als enige niet overeenkomstig de van toepassing zijnde cao betaald. Ook werden van appellante geen vakantie-uren en overuren bijgehouden en betaald. De Raad zal daarom aan de hand van alle feiten en omstandigheden die aannemelijk zijn geworden, beoordelen of aan het vereiste van een gezagsverhouding is voldaan.

4.10.

Uit de stukken en de toelichting van appellante en haar echtgenoot ter zitting, is gebleken dat appellante in beginsel twee middagen per week werkte, meestal op maandag- en vrijdagmiddag. Als dit zo uitkwam, werd dit ook wel eens verschoven. Op die manier verrichtte zij schoonmaakwerkzaamheden veelal buiten kantoortijd. Het kon echter ook voorkomen dat appellante – als er klanten op kantoor zouden komen – werd opgebeld om het kantoor schoon te maken en te zorgen voor koffie. Als er geen andere medewerkers op kantoor waren, werd haar verzocht de telefoon aan te nemen. Ook kwam het voor dat appellante werd gevraagd extra te werken op het moment dat het druk was. Als er weinig te doen was, kwam zij minder. Appellante verrichtte in eerste instantie voornamelijk schoonmaakwerkzaamheden op zowel de werkplaats als het kantoor van het bedrijf. Sinds enkele jaren verrichtte zij daarnaast administratieve werkzaamheden ter ondersteuning van de boekhoudster, [naam boekhoudster] . Overdracht van werkzaamheden vond, zoals ook blijkt uit de verklaring van [naam boekhoudster] , plaats door middel van notities op het bureau. De aard van de werkzaamheden van appellante bracht met zich dat van haar een flexibele inzet werd gevraagd. Daardoor werkte zij de ene week meer uren dan de andere week, afhankelijk van de omvang van de vereiste werkzaamheden. Ter zitting is gebleken dat appellante en haar echtgenoot deze afspraken wat betreft inzetbaarheid in het verleden hebben gemaakt en appellante ook daadwerkelijk aan de oproepen gehoor gaf. Daarmee is duidelijk dat appellante instructies kreeg van haar echtgenoot over de aard en het tijdstip van haar werkzaamheden. Dat appellante mogelijk eerder geneigd was gehoor te geven aan deze verzoeken omdat het om het bedrijf van haar echtgenoot ging en het voelde als werken voor zichzelf, maakt de beoordeling niet anders. De omstandigheid dat er geen functioneringsgesprekken werden gevoerd, maakt ook niet dat er geen controle op de werkzaamheden van appellante kon plaatsvinden. Haar echtgenoot was immers bevoegd om, als appellante haar werkzaamheden niet naar behoren verrichtte, aanwijzingen te geven en beslissingen te nemen. Dat appellante in de praktijk mogelijk weinig aansturing behoefde, doet aan die bevoegdheid niet af. Bij de beoordeling of aan het element gezagsverhouding is voldaan, is mede van betekenis dat de positie die appellante bekleedde binnen de organisatie (aanzienlijk) lager was dan die van haar echtgenoot. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en haar echtgenoot.

4.11.

De door het Uwv aangevoerde omstandigheden, waaronder de familierelatie en het hoge loon dat appellante ontving, doen niet af aan de onder 4.10 vastgestelde gezagsverhouding. Appellante heeft bovendien verklaard dat zij gemiddeld meer uren werkte dan het overeengekomen aantal van vier uur per week en dat zij overuren niet betaald kreeg, waar een relatief hoog salaris tegenover stond.

4.12.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.11 volgt dat in de relatie tussen appellante en [B.V] sprake is geweest van privaatrechtelijke dienstbetrekking. Hieruit volgt dat appellante werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.

4.13.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het doen van een tussenuitspraak is geen ruimte. Een opdracht aan het Uwv op grond van artikel 8:51d van de Awb verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip werknemer. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2014 moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 44,02 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.048,02.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 februari 2015;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.048,02;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Veenstra

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

IvR