Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
17/1334 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen toereikende verklaring over hoe betrokkene in zijn dagelijkse levensonderhoud heeft voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1334 PW

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 december 2016, 16/2335 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 november 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet.

1.2.1.

In het kader van een periodiek heronderzoek heeft appellant afschriften verstrekt van zijn bankrekening over de periode van 31 oktober 2015 tot en met 29 januari 2016. Uit deze bankafschriften kwam naar voren dat appellant geen kasopnames deed en niet pinde voor boodschappen.

1.2.2.

Een medewerker van de afdeling sociale zaken van de gemeente Hengelo (medewerker) heeft op 23 maart 2016 een gesprek met appellant gevoerd over zijn uitgavenpatroon. Appellant heeft tijdens dat gesprek het volgende verklaard. Hij heeft in genoemde periode veel bij zijn ouders in [gemeente] verbleven in verband de slechte gezondheidstoestand van zijn vader, die in februari 2016 is overleden. Appellant verbleef de laatste vier maanden naar schatting twee tot drie dagen per week bij zijn ouders, omdat zijn moeder, gelet op haar leeftijd en gezondheidsklachten, niet voor zichzelf kan zorgen. Hij eet veel bij zijn vrienden, zijn twee broers en bij zijn zus. Zijn twee schoonzussen brengen regelmatig vers eten langs. Hij leent ook wel eens geld van vrienden om boodschappen te doen, maar kan niet toelichten om welke bedragen het gaat en van wie hij die krijgt. Appellant doet zelf eens per drie, vier of vijf maanden boodschappen. Hij koopt dan veelal houdbare producten en eet geen verse groente en fruit en nagenoeg geen brood en/of verse zuivelproducten. Vaak eet hij maar eenmaal per dag en soms helemaal niet.

1.2.3.

Naar aanleiding hiervan heeft de medewerker een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader daarvan heeft de medewerker bankgegevens bij appellant opgevraagd over de periode van februari 2015 tot en met oktober 2015 en vervolgens een gesprek gevoerd met appellant op 31 maart 2016. Daarbij is andermaal het uitgavenpatroon van appellant aan de orde gekomen. Uit het gespreksverslag komt het volgende naar voren. De medewerker heeft appellant voorgehouden dat appellant geen aannemelijke verklaring kan geven voor het feit dat hij in februari en maart 2015 wel pintransacties voor boodschappen doet en de resterende maanden in 2015 helemaal niet meer. Appellant heeft hierop verklaard dat hij nagenoeg niet kan rondkomen van zijn uitkering en daarom afhankelijk is van vrienden en familie wat betreft zijn levensonderhoud. Hij eet regelmatig bij vrienden en familie en zijn schoonzussen brengen hem eten. Ter voorkoming van rood staan heeft hij meerdere bedragen van vrienden geleend, naar schatting € 1.000,-. Op het moment dat appellant is gestart met zijn eigen bedrijf, moet hij € 500,- terugbetalen aan [naam 1] (N), € 250,- aan [naam 2] (K) en € 350,- aan [naam 3] (D). Zijn zus [naam zus] (S) heeft incidenteel wel eens kleine bedragen contant aan appellant gegeven ten tijde van zijn ongeluk op 17 juli 2015 in huis, waardoor hij tweede- en derdegraads brandwonden heeft opgelopen aan zijn hoofd en rechtervoet. Hierbij moet worden gedacht aan bedragen van € 20,- en € 50,-. Ook ontvangt hij sinds kort maandelijks € 60,- contant van zijn broer [naam broer] (A). Deze broer werkt fulltime en heeft weinig tijd voor de verzorging van hun ouders. Omdat appellant regelmatig naar zijn ouders ging, was dat bedrag bedoeld als bijdrage in de reiskosten van appellant. In reactie op de vraag of het mogelijk is dat er een andere bron van inkomsten is, antwoordt appellant dat hij wel eens bekenden helpt bij klussen in huis en/of het repareren van apparaten. Hiervoor ontvangt hij geen geld. Ook doet appellant wel eens bestellingen voor vrienden via internet. Dit schiet hij voor. Appellant wordt dan later contant terugbetaald door hen. Appellant kan niet aangeven hoe hij aan het geld van de kasstortingen komt en van wie hij dat geld ontvangen heeft en waarvoor.

1.2.4.

De bevindingen van het onderzoek zijn weergegeven in een rapport van 17 mei 2016. In dit rapport is geconcludeerd dat appellant geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat hij geen kasopnames doet en niet pint in winkels in relatie tot levensonderhoud, dat dit de indruk wekt dat mogelijk sprake is van een andere inkomstenbron en dat appellant geen controleerbare en verifieerbare bewijsstukken kan verstrekken wat betreft de door hem ontvangen gelden en kasstortingen.

1.3.

Bij besluit van 17 mei 2016, voor zover van belang en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2016 beëindigd (lees: ingetrokken), de bijstand over de periode van 1 april 2015 tot 1 april 2016 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 13.274,82. Het college heeft aan de besluitvorming, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de als inkomsten aan te merken kasstortingen en van de verrichte werkzaamheden, dat appellant onvoldoende opheldering heeft verschaft over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Hierbij heeft het college er onder meer op gewezen dat appellant geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van uitgaven voor levensonderhoud.

1.4.

Op 20 juni 2016 heeft appellant zich bij de Kamer van Koophandel onder diverse handelsnamen, waaronder [handelsnaam] , laten inschrijven met een eenmanszaak.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft nooit de intentie gehad om de inlichtingenverplichting niet na te komen en is altijd eerlijk geweest jegens zijn klantmanager. In verband met zijn (toegenomen) medische klachten heeft appellant besloten een auto met een automatische versnelling aan te schaffen. Door daarmee samenhangende financiële problemen kon appellant zijn kosten niet meer voldoen en begon hij geld te lenen van derden. Voor zijn bedrijf heeft appellant gereedschap aangeschaft en daarvoor ook geld geleend. Dit is de verklaring voor de leningen in 2015. Kort voor de gesprekken in maart 2016 was de vader van appellant overleden, waardoor appellant niet direct kon uitleggen waarvoor de bedragen waren die hij met Paypall en Skrill had betaald. Appellant heeft gezegd dat hij alle administratie thuis had liggen en dat hij die kon aanleveren als de gemeente dit wil. Daarnaast heeft appellant geheugenproblemen doordat hij in het verleden voor de duur van ongeveer vijftien minuten klinisch dood is geweest. Het college heeft hier niets mee gedaan. De werkzaamheden die appellant heeft verricht, waren van zeer lichte aard en van zeer korte duur. Het ging om vriendendiensten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 april 2015 tot en met 17 mei 2016.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Vaststaat dat appellant in de periode van 1 april 2015 tot en met 29 januari 2016 geen enkele pinbetaling heeft gedaan voor levensonderhoud en geen contante bedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen. Nu uit de door appellant overgelegde bankafschriften niet blijkt hoe hij in die periode zijn dagelijkse boodschappen heeft betaald, ligt het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:479) op zijn weg om hierover helderheid te verschaffen. Appellant is daarin niet geslaagd. De enkele verklaring van appellant over het mee-eten dan wel heel weinig of niet eten en over het lenen van gelden van familie en vrienden is daartoe op zichzelf noch in samenhang met de door appellant overgelegde verklaringen van S, A, N en K toereikend. Wat betreft de gestelde leningen ontbreken verifieerbare gegevens over welke bedragen wanneer precies door wie aan appellant zijn verstrekt.

4.4.

Appellant heeft op 31 maart 2016 verklaard en ook in hoger beroep erkend dat hij kluswerkzaamheden voor derden heeft verricht. Hij voert aan dat het ging om werkzaamheden van zeer lichte aard en van zeer korte duur, maar heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt waaruit blijkt wat hij precies wanneer voor wie heeft gedaan. Appellant heeft ook in hoger beroep geen opheldering verschaft over de aard en omvang van deze werkzaamheden in de te beoordelen periode.

4.5.

Voor zover appellant met wat hij heeft aangevoerd over de gesprekken in maart 2016 en over zijn geheugenproblemen heeft willen betogen dat hij niet aan zijn verklaringen tijdens die gesprekken kan worden gehouden, slaagt deze beroepsgrond niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door sociale en medische problemen niet in staat was reële verklaringen af te leggen.

4.6.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat appellant in de te beoordelen periode de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting in een aantal opzichten niet is nagekomen. Voor zover appellant met zijn stelling dat hij niet de intentie had om de inlichtingenverplichting niet na te komen, heeft willen betogen dat hem geen verwijt treft, slaagt ook deze beroepsgrond niet. De inlichtingenverplichting is immers een objectief geformuleerde verplichting, waarbij de vraag naar verwijtbaarheid geen rol speelt.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) F. Dinleyici

rh