Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
17/2866 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Aanvraag is buiten behandeling gesteld. Gevraagde bankgegevens en verklaring levensonderhoud zijn noodzakelijk voor beoordeling van de aanvraag. Geen tweede hersteltermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2866 PW

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van
9 maart 2017, 16/7678 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Namens appellant is mr. R.G. Groen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.B.L. Willemsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 1 maart 2016 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet ingediend. In het kader hiervan heeft het college appellant bij brief van 2 maart 2016 verzocht om vóór 16 maart 2016 nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder een schriftelijke verklaring over zijn verblijf in het buitenland, een schriftelijke verklaring over de wijze waarop hij de afgelopen zes maanden in zijn levensonderhoud heeft voorzien (verklaring levensonderhoud) onderbouwd met bewijsstukken, recente bewijzen van schulden, alsmede alle - ook buitenlandse - bank- en spaarafschriften over de periode van 1 januari 2015 tot en met 2 maart 2016 (recente bankgegevens). Hierbij heeft het college appellant erop gewezen dat het niet tijdig of niet volledig inleveren van de gevraagde informatie ertoe kan leiden dat zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Het college heeft appellant ook gewezen op de mogelijkheid om de hersteltermijn te verlengen. Appellant heeft op 10 maart 2016 een groot aantal stukken overgelegd, waaronder een schriftelijke verklaring over zijn verblijf in het buitenland en één bankafschrift. In een rapport van 31 maart 2016 heeft een medewerker van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van de gemeente Den Haag vastgesteld dat onder meer de recente bankgegevens en de verklaring levensonderhoud ontbreken.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant de recente bankgegevens en de verklaring levensonderhoud niet of niet volledig binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden, zoals ter zitting gehandhaafd, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat de recente bankgegevens en de verklaring levensonderhoud noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag van appellant. Evenmin is in geschil dat appellant daarover redelijkerwijs kon beschikken en dat hij deze gegevens niet binnen de bij brief van 2 maart 2016 gestelde termijn heeft verstrekt.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat met de door hem verstrekte gegevens het recht op bijstand reeds kan worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager immers een essentieel gegeven. Recente bankgegevens en de verklaring levensonderhoud bieden inzicht in de financiële situatie van appellant en zijn daarom van belang voor een goede beoordeling van de aanvraag. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is de door hem overgelegde verklaring over zijn verblijf in het buitenland niet tevens te beschouwen als de gevraagde verklaring levensonderhoud. De verklaring over zijn verblijf in het buitenland is daarvoor te summier en te zeer in algemene bewoordingen gesteld om daaruit te kunnen afleiden hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien, terwijl bovendien onderbouwende bewijsstukken ontbreken.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college uit oogpunt van zorgvuldigheid hem een tweede hersteltermijn had moeten bieden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb biedt geen grondslag voor het standpunt van appellant dat hem een tweede hersteltermijn had moeten worden gegund. In de brief van 2 maart 2016 heeft het college voldoende duidelijk en specifiek vermeld welke gegevens appellant nog moest overleggen en wat de gevolgen zouden zijn van het niet tijdig verstrekken van deze gegevens. Indien appellant meer tijd nodig had om de gevraagde gegevens te verstrekken, dan had hij om verlenging van de hersteltermijn kunnen verzoeken.

4.5.

Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) F. Dinleyici

rh