Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
16/5536 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering in verband met inkomsten uit oplichting en hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5536 PW

Datum uitspraak: 21 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

13 juli 2016, 16/320 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, nadere stukken ingezonden.

Mr. C.C.M. Peper heeft de behandeling van de zaak overgenomen van mr. Kaya.

Appellant heeft eveneens een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 17/454 PW van appellant en de zaken van [naam] (F) met nummers 16/5535 PW en 17/456 PW, plaatsgevonden op 6 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.P. Duininck.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken met nummers 17/454 PW, 16/5535 PW en 17/456 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn ex-partner, F, ontvingen sinds 1 maart 2010 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Op 25 november 2014 heeft de politie een in werking zijnde hennepkwekerij met

28 planten aangetroffen in de schuur bij de woning van appellant en F. Ook is appellant als verdachte naar voren gekomen bij een onderzoek naar oplichting. Appellant is in dat verband in negen zaken als verdachte aangemerkt. De Sociale Recherche Twente (sociale recherche) heeft naar aanleiding daarvan onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, waarbij zij de beschikking heeft gekregen over processen-verbaal van de politie. De politie is tot de conclusie gekomen dat appellant met betrekking tot de oplichtingszaken, uitgaande van een helingswaarde van de goederen van 25% en een ponds-pondsverdeling met een andere verdachte, over een periode van 1 maart 2014 tot

7 oktober 2014 een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van minimaal € 9.060,-. Met betrekking tot de hennepkwekerij heeft de politie geconcludeerd dat de aangetroffen planten naar schatting 4 tot 5 weken oud waren. Op grond van de aangetroffen situatie kan volgens

de politie worden gesteld dat de hier gehanteerde methode uiteindelijk was gericht op de opzettelijke bedrijfsmatige dan wel beroepsmatige productie van hennep. De sociale recherche heeft appellant verhoord op 5 februari 2015. De bevindingen van de Sociale Recherche zijn neergelegd in een rapport van 17 februari 2015.

1.3.

Het college heeft in de bevindingen van de sociale recherche aanleiding gezien om bij besluit van 2 juli 2015 de bijstand van appellant en F in te trekken over de periode van

1 maart 2014 tot en met 6 oktober 2014 en over de periode van 7 oktober 2014 tot en met

24 november 2014 en de teveel betaalde bijstand over de eerste periode tot een bedrag van € 9.068,15 terug te vorderen en over de tweede periode tot een bedrag van € 2.542,53. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft doorgegeven dat hij in de eerstgenoemde periode inkomsten heeft gegenereerd uit oplichting en evenmin dat hij in de tweede periode werkzaamheden heeft verricht gericht op het verkrijgen van inkomsten uit hennepteelt. F is hoofdelijk aansprakelijk voor de vordering.

1.4.

Bij besluit van 15 december 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2015 gegrond verklaard voor zover dat zich richtte tegen de hoogte van de maandelijkse aflossingstermijnen. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 1 maart 2014 tot en met 6 oktober 2014

(periode 1) en de periode van 7 oktober 2014 tot en met 24 november 2014 (periode 2).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

Periode 1

4.3.

Aan de intrekking en terugvordering over deze periode ligt ten grondslag dat appellant inkomsten heeft gehad uit strafbare feiten. Dit is niet in geschil. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag hoe hoog die inkomsten zijn geweest.

4.4.

Op basis van de berekeningen van de politie gaat het college ervan uit dat de inkomsten uit deze strafbare feiten minimaal € 9.060,- bedroegen. Dit betekent dat appellant over deze periode geen recht op bijstand had. Appellant heeft in hoger beroep een vonnis ontneming van 26 januari 2016 overgelegd, waarbij de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 4.900,-. Appellant heeft met een beroep op dit vonnis betoogd dat zijn inkomsten over periode 1 moeten worden bepaald op € 4.900,-, zodat hij nog aanvullend recht op bijstand had. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft de bevindingen van de politie, opgenomen in een proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel, aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Hierbij is van belang dat appellant geen inlichtingen heeft verschaft over de omvang van zijn inkomsten uit oplichting, waartoe hij wel gehouden was. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokken gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852. Dit is niet anders, indien zoals dit geval uit de beredeneerde schatting van de financieel rechercheurs volgt, dat appellant volgens die schatting in het geheel geen recht op bijstand heeft. De financieel rechercheurs van de politie hebben deze beredeneerde schatting gemaakt van het door appellant verkregen voordeel, terwijl de rechtbank blijkens het vonnis ontneming voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel enkel is uitgegaan van de verklaringen van appellant.

Periode 2

4.5.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat hij deze inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij stelt dat hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij melding had moeten maken van de hennepteelt, omdat de aangetroffen planten waren bedoeld voor eigen gebruik.

4.7.

Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van

17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:934), is het aantal hennepplanten één van de

factoren die een rol speelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, ten aanzien waarvan een meldingsplicht bij het bijstandverlenend orgaan geldt. Andere relevante factoren zijn: de mate van professionaliteit, het doel en de wijze van de hennepteelt.

4.8.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij uitsluitend voor eigen gebruik kweekte. Het starten en exploiteren van een hennepkwekerij op een wijze als hier aan de orde, zijn onmiskenbaar op geld waardeerbare activiteiten, waarvan appellant melding had moeten maken aan het college. Door dit na te laten heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.9.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.10.

Appellant is niet in deze bewijslast geslaagd, reeds omdat hij geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden. De stelling dat hij met de hennepteelt niets heeft verdiend omdat de planten te jong waren om te oogsten, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet van belang dat appellant, zoals hij stelt, voor de eerste keer hennep heeft geteeld en dat het gezien zijn onervarenheid de vraag was of het hem zou lukken om tot een oogst te komen. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet, ook indien nog geen oogst heeft plaatsgevonden, steeds rekening worden gehouden met inkomsten. De hoogte daarvan kan worden bepaald indien van de investeringen in geld voorbereidende op geld waardeerbare werkzaamheden en de kosten en bestede op geld waardeerbare uren voor de exploitatie van de kwekerij een deugdelijke administratie voorhanden is. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dit komt voor risico en rekening van appellant. Gezien de werkzaamheden die appellant heeft verricht voor het opzetten van de hennepkwekerij is de voorbereidingsperiode van twee weken waar het college van uit is gegaan niet onredelijk. Ook de door appellant overgelegde facturen voor benodigdheden voor de kwekerij, gedateerd 18 september 2014 en 1 oktober 2014, duiden erop dat het reëel is 7 oktober 2014 tot uitgangspunt voor de aanvang van de kwekerij te nemen.

Slotsom

4.11.

Gelet op 4.4. en 4.10 had appellant over periode 1 geen recht op bijstand en was het recht op bijstand over periode 2 niet vast te stellen. Dit betekent dat het college gehouden was de bijstand over de periode in geding in te trekken en tevens verplicht was om de over die periode gemaakte kosten van bijstand - behoudens dringende redenen om daarvan af te zien - terug te vorderen van appellant. Appellant heeft aangevoerd dat het college gezien zijn lage IQ en zijn daarmee vaststaande ontoerekeningsvatbaarheid of verminderde toerekeningsvatbaarheid, de terugvordering had moeten verlagen tot het bedrag dat appellant aan inkomsten uit hennepteelt heeft genoten, te weten nihil. De Raad begrijpt dit als een beroep op dringende redenen om af te zien van terugvordering. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Wat appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen als hier bedoeld, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangevoerde omstandigheden een gevolg van de terugvordering zijn.

4.12.

Uit 4.4 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.A.E. Bon

LO