Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
16/5583 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijtbare werkloosheid. Materiële beoordeling. Voor zover appellant de feitelijke bevindingen van werkgever over zijn internetgebruik betwist, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 juli 2017 in de ontslagzaak, waarin is geconcludeerd dat appellant de inhoud van drie rapporten niet overtuigend heeft bestreden. Het instellen van onderzoeken door werkgever in 2014 en 2015 was gerechtvaardigd omdat de onderzoeken pas zijn ingesteld nadat werkgever gegronde vermoedens over misbruik internet had. De conclusies en overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. De gedragingen die tot het ontslag hebben geleid – die in dat kader door werkgever zijn aangemerkt als ernstig plichtsverzuim – leveren een dringende reden op zowel in objectieve als subjectieve zin. Appellant is verwijtbaar werkloos geworden en de WW-uitkering is terecht blijvend en in het geheel niet tot betaling gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/396
USZ 2018/282
RSV 2018/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5583 WW

Datum uitspraak: 16 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
11 juli 2016, 15/8439 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

het dagelijks bestuur van de [naam werkgever] (werkgever)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Werkgever heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Voor werkgever zijn verschenen mr. I.M. Langenkamp en ing. H.W. Spruit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was tot 1 juli 2012 werkzaam voor de provincie [naam provincie]. Per 1 juli 2012 heeft de [naam werkgever] ([werkgever]) een aantal taken van de provincie [naam provincie] overgenomen. Appellant was sindsdien werkzaam bij de [werkgever] als [functie A].

1.2.

Bij besluit van 23 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juli 2015, heeft werkgever appellant met onmiddellijke ingang wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd, waarbij is bepaald dat het ontslag niet ten uitvoer wordt gelegd indien appellant zich gedurende anderhalf jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. Onder soortgelijk plichtsverzuim moet in ieder geval, maar niet uitsluitend, worden verstaan het up- of downloaden dan wel verzenden van muziekbestanden. Werkgever heeft appellant verweten dat hij niet integer heeft gehandeld door:

  • -

    tijdens werktijd veelvuldig tijd te besteden aan privézaken;

  • -

    op onaanvaardbare wijze middelen van de [werkgever], zoals het netwerk en de computer, te gebruiken voor privédoeleinden;

  • -

    zijn internetgeschiedenis te wissen.

1.3.

Op 9 juni 2015 hebben twee medewerkers geconstateerd dat appellant tijdens werktijd op zijn beeldscherm een muzieklijst geopend had staan. Appellant is daarop aangesproken en er is een onderzoek gestart naar zijn internet- en computergedrag op 9 juni 2015. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport ‘Onderzoek computer gebruik op 9 juni 2015’.

1.4.

Werkgever heeft bij besluit van 6 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 2015, het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd met ingang van 8 juli 2015. Daaraan heeft werkgever ten grondslag gelegd dat appellant zich binnen de proeftijd wederom schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door zich opnieuw bezig te houden met privéactiviteiten en opnieuw middelen van de [werkgever] zoals de computer, het netwerk en het internet te gebruiken voor privédoeleinden. Tevens heeft appellant op 11 juni 2015 de in- en uitloggegevens gewist.

1.5.

Appellant heeft rechtsmiddelen aangewend tegen het voorwaardelijk ontslag en de tenuitvoerlegging daarvan. Bij uitspraak van de Raad van 13 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2434) zijn de daarop betrekking hebbende uitspraken van de rechtbank bevestigd. Daarmee zijn de besluiten van 23 februari 2015 en 6 juli 2015 onherroepelijk geworden en is het ontslag in rechte vast komen te staan.

1.6.

Appellant heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 23 juli 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 8 juli 2015 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juli 2015 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant zich na zijn voorwaardelijk strafontslag opnieuw heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van internet- en computerfaciliteiten van [werkgever] voor privédoeleinden en dat dit een objectief dringende reden voor ontslag oplevert. Er is volgens het Uwv ook sprake van een subjectief dringende reden nu werkgever, nadat op 9 juni 2015 was geconstateerd dat appellant de faciliteiten van [werkgever] opnieuw had gebruikt voor privédoeleinden, appellant per 11 juni 2015 heeft geschorst, hem de toegang tot het pand van de [werkgever] heeft ontzegd en op 6 juli 2015 het definitieve ontslagbesluit heeft genomen. De persoonlijke omstandigheden van appellant, waaronder de duur van het dienstverband, zijn volgens het Uwv voldoende meegenomen in de beoordeling van de dringende reden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank leverden de gedragingen van appellant voor werkgever een objectieve dringende reden op voor ontslag. Appellant was na het hem op 23 februari 2015 gegeven voorwaardelijk strafontslag een gewaarschuwd man, maar maakte zich desondanks binnen vier maanden wederom schuldig aan het gebruik van middelen van [werkgever], zoals computer, netwerk en internet, voor privédoeleinden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van deze sites en applicaties paste binnen zijn functie bij [werkgever] of binnen zijn re-integratieverplichtingen. Voorts is niet gebleken dat werkgever appellant toestemming had verleend onder werktijd bezig te zijn met activiteiten ten behoeve van zijn opleiding bij de Radio Academy. Uit het door werkgever ingestelde onderzoek blijkt dat appellant op 9 juni 2015 ook buiten pauzetijd meermalen niet‑werkgerelateerde websites heeft bezocht. Het privégebruik was op 9 juni 2015 zo uitgebreid dat appellant daarmee de regels van het Protocol e-mail, internet- en computergebruik van werkgever (Protocol) heeft overtreden. Bovendien overtrad appellant met dit privégebruik de voorwaarde die was verbonden aan het ontslagbesluit van 23 februari 2015, die inhield dat hij geen soortgelijk plichtsverzuim diende te plegen als waarvoor het voorwaardelijk strafontslag was opgelegd, namelijk het onder werktijd veelvuldig gebruikmaken van de computer, het netwerk en het internet voor privédoeleinden. Uit de voortvarendheid waarmee werkgever heeft gehandeld, na de constatering dat appellant zich op 9 juni 2015 wederom schuldig had gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat de ontslagreden voor werkgever dringend was. Daarmee is tevens sprake van subjectieve dringendheid. In de leeftijd, de duur van het dienstverband en de mogelijke gevolgen van het strafontslag zijn, gelet op de aard en de ernst van de gedragingen van appellant, geen redenen gelegen die in de weg staan aan het aannemen van verwijtbare werkloosheid door het Uwv.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, met verwijzing naar de gronden in bezwaar en beroep, betwist dat aan het ontslag een dringende reden ten grondslag ligt. Op 9 juni 2015 was geen sprake van overmatig privé internetgebruik. Appellant heeft op die dag in zijn pauze slechts muzieklijsten gearceerd, maar geen muziekbestanden geüpload of gedownload. Het hoge aantal requests dat in het onderzoek is gevonden is onjuist en is voor een groot deel gebaseerd op Google-toepassingen die niet goed meetbaar zijn en daarom niet mogen worden meegerekend. Het internetgebruik hield deels verband met contacten met JS Consultancy, het re-integratiebureau dat door werkgever voor appellant in de arm was genomen. Appellant is niet actief geweest op chatsites. Hij mocht ervan uitgaan dat computergebruik ten behoeve van de cursus van de Radio Academy was toegestaan op basis van de
re-integratieovereenkomst. Werkgever heeft de privacy van appellant geschonden door zonder hem hierover een melding te geven, privécommunicatie te bekijken en heeft daarmee in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gehandeld. De informatie is daarmee onrechtmatig verkregen. Appellant heeft in dit verband verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 5 september 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD006149608 (Bărbulescu).

3.2.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het ontslagbesluit geen gemotiveerd oordeel geeft over het bestaan van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat het Uwv niet heeft onderzocht of aan het ontslag een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Dat is niet het geval, nu geen sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim en de gedraging in verband waarmee ontslag is verleend en de dringende reden niet onverwijld aan appellant zijn medegedeeld. Bovendien zijn de persoonlijke omstandigheden van appellant, zoals een dienstverband van meer dan 36 jaar, zijn leeftijd en de gevolgen voor zijn gezin, niet meegewogen.

3.3.

Het Uwv en werkgever hebben bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Voor het oordeel of aan de werkloosheid al dan niet een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt waaraan op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW de conclusie kan worden verbonden dat sprake is van verwijtbare werkloosheid, is niet bepalend de wijze waarop het dienstverband is beëindigd. Er dient een materiële beoordeling plaats te vinden. Daarbij zijn in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad over de arbeidsrechtelijke dringende reden naast de aard en de ernst van de gedraging van de werknemer van belang de reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer en andere relevante aspecten van de dienstbetrekking, zoals de aard en de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem heeft (zie onder meer de uitspraken van de Raad van 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387 en 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4194).

4.3.

Voor zover appellant de feitelijke bevindingen van werkgever over zijn internetgebruik betwist, wordt verwezen naar de in 1.5 genoemde uitspraak van de Raad van 13 juli 2017 in de ontslagzaak, waarin is geconcludeerd dat appellant de inhoud van de rapporten van 1 december 2014, 13 januari 2015 en 9 juni 2015 niet overtuigend heeft bestreden. Wat appellant in de onderhavige procedure heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De grond van appellant over de strekking van het mandaatbesluit in het kader van zijn ontslag, is niet relevant nu dat ontslag door de genoemde uitspraak van de Raad van 13 juli 2017 in rechte vaststaat.

4.4.

Het onderzoek van werkgever naar het internetgebruik van appellant levert geen strijd op met artikel 8 van het EVRM. Anders dan in de zaak Bărbulescu is het onderzoek dat heeft geleid tot de rapporten van 1 december 2014 en 13 januari 2015 pas ingesteld nadat werkgever gegronde vermoedens had dat appellant misbruik maakte van het internet. Het onderzoek naar het internetgebruik op 9 juni 2015 is ingesteld na observaties van collega’s waaruit werkgever een gegrond vermoeden kon ontlenen dat appellant in strijd met de voorwaarden in het ontslagbesluit van 23 februari 2015 voortging met ontoelaatbaar privégebruik van het internet. Het instellen van een onderzoek door werkgever was daarom gerechtvaardigd.

4.5.

Anders dan appellant heeft gesteld, heeft het Uwv in het bestreden besluit gemotiveerd dat de gedragingen die tot het ontslag hebben geleid – die in dat kader door werkgever zijn aangemerkt als ernstig plichtsverzuim – een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW opleveren, zowel in objectieve als subjectieve zin, en zijn ook de overige omstandigheden in het bestreden besluit meegewogen bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden. De rechtbank heeft het Uwv terecht en op goede gronden gevolgd in dit oordeel. Wat appellant hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van zijn gronden in beroep en geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De conclusies en overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven.

4.6.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij alvorens tot uitvoering van het ontslag over te gaan op grond van het Protocol gewaarschuwd had moeten worden, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 juli 2017, waarin is geoordeeld dat een uitdrukkelijke waarschuwing niet nodig was, reeds omdat appellant anderszins gewaarschuwd was.

4.7.

Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Er is geen sprake van dat het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Gelet hierop is de WW-uitkering terecht blijvend en in het geheel niet tot betaling gekomen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) R.H. Budde

SSa