Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
16/1004 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:20, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Terecht geen aanleiding voor het oordeel dat de functionele mogelijkheden van appellant niet correct zijn vastgesteld. Gelet op het oordeel dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, geen aanleiding voor oordeel dat geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank heeft in wat door appellant in beroep naar voren is gebracht terecht geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid standpunt verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant op 6 augustus 2014. Rechtbank ook gevolgd in oordeel dat arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn. In de gegevens van Van Marle heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor oordeel dat de FML van 19 april 2016 onvoldoende beperkingen bevat. Geen noodzaak voor een urenbeperking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1004 WIA, 17/5871 WIA

Datum uitspraak: 15 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

19 januari 2016, 15/2803 (aangevallen uitspraak 1) en 15 augustus 2017, 16/7711

(aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 4 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft gewerkt als leidinggevend voorman schoonmaak voor gemiddeld 41,59 uur per week. Hij heeft zich op 9 november 2011 ziek gemeld, nadat hem op 29 juli 2010 een auto‑ongeval was overkomen. Per 1 maart 2012 is zijn dienstverband beëindigd en vanaf die datum is hem een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Appellant heeft van medio 2013 tot begin 2014 in Tunesië verbleven.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv een medisch onderzoek verricht, waarbij expertise is verkregen van psychiater W.M.J. Hassing en neuroloog J.O. Mispelblom Beijer. Hassing heeft tijdens onderzoek geen psychiatrische symptomen gezien. Volgens Hassing is er vooral een somatische klachtenattributie met daarnaast psychische klachten die imponeren als reactief op de lichamelijke klachten, die bij appellant hebben geleid tot een gevoel van onmacht, frustratie en boosheid. Er is sprake van een inadequate coping in relatie tot de lichamelijke klachten met vooral acting out van frustratie en onmacht, maar er zijn geen aanwijzingen voor voldoende ernstige psychopathologie die leiden tot een psychiatrische stoornis. Er zijn geen voortdurende herbelevingen van een doorgemaakt psychotrauma, er is geen voortdurend en voldoende ernstig depressieve stemming, buitensporige angst of ernstige persoonlijkheidspathologie. Mispelblom Beijer heeft op neurologisch gebied geen objectiveerbare afwijkingen gevonden die een verklaring kunnen vormen voor het persisteren van de klachten van appellant. Appellant is tevens onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat algemeen wordt aangenomen dat cliënten na een whiplashtrauma, ook bij afwezigheid van zichtbare afwijkingen, klachten kunnen hebben, zowel fysiek als mentaal. Daarom zijn beperkingen van appellant voor nek-, schouder- en rugbelasting, concentratie en geheugen, conflicthanteringen, besturen van een voertuig en werken op grote hoogte aangenomen en neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 juni 2014. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 4,23%. Bij besluit van 27 juni 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 16 september 2013 geen recht is ontstaan op WIA‑uitkering, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid is.

1.3.

Het door appellant tegen het besluit van 27 juni 2014 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 24 maart 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 22 januari 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 17 maart 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

1.4.

Op 15 februari 2016 heeft appellant in verband met toegenomen klachten opnieuw een aanvraag op grond van de Wet WIA ingediend. Daarbij heeft hij stukken overgelegd van GGZ‑psychiater B. Holscher, GZ‑psycholoog drs. E.G. Roos, Spine & Joint Centre en huisarts J.P. Smit‑Smouter.

1.5.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft op 30 maart 2016 onderzoek door een verzekeringsarts plaatsgevonden, die ook informatie heeft ingewonnen bij behandelend psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle en de dossiergegevens heeft bestudeerd. De verzekeringsarts heeft in haar rapport van 19 april 2016 vastgesteld dat er bij appellant in augustus 2014 wegens een depressieve episode sprake is geweest van toegenomen beperkingen door psychische klachten, die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarmee appellant eerder de wachttijd in het kader van de Wet WIA heeft vervuld. Appellant is daardoor aangewezen op psychisch minder belastende werkzaamheden, terwijl hij door het whiplashtrauma onverkort is aangewezen op fysiek minder belastend werk. De beperkingen heeft de verzekeringsgeneeskundige weergegeven in een FML van 19 april 2016. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in een rapport van 19 mei 2016 tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor een vijftal geselecteerde functies. Bij besluit van 15 juni 2016 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 6 augustus 2014 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen, omdat appellant per die datum 11,37%, dus minder dan 35%, arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.6.

Het door appellant tegen het besluit van 15 juni 2016 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 november 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 6 oktober 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 21 oktober 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat het Uwv niet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mogen afgaan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van dossieronderzoek, anamnese, eigen lichamelijk en psychisch onderzoek en de expertises van Hassing en Mispelblom Beijer heeft vastgesteld dat de objectieve basis voor de klachten en geclaimde beperkingen van appellant ontbreekt. Omdat de datum in geding 16 september 2013 is en de door appellant in beroep overgelegde verklaring van Holscher betrekking heeft op de periode rond 27 mei 2015, heeft deze verklaring niet tot een ander oordeel geleid.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank ook het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant met ingang van 6 augustus 2014 correct heeft vastgesteld. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de heroverweging gebruik heeft gemaakt van uitgebreide informatie van de behandelaars. In de FML van 19 april 2016 zijn meer beperkingen aangenomen in de rubrieken I en II (persoonlijk en sociaal functioneren) dan in de FML van 6 juni 2014, die aan bestreden besluit 1 ten grondslag lag. Appellant is aangewezen geacht op psychisch minder belastende werkzaamheden. De informatie van de GZ‑psycholoog van 27 januari 2017 beschrijft naar het oordeel van de rechtbank vooral de actuele en recente situatie, terwijl de datum in geding,6 augustus 2014, verder in het verleden ligt. Appellant heeft verder geen (nieuwe) medische stukken in het geding gebracht die zijn standpunt ondersteunen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 herhaald dat zijn belastbaarheid op 16 september 2013 door het Uwv is overschat. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de medische informatie van Holscher ook betekenis heeft voor de datum in geding, omdat het door deze psychiater geschetste ernstig depressieve toestandsbeeld niet “uit de lucht komt vallen”. Naar de overtuiging van appellant is de psychische problematiek onverkort aanwezig geweest in de periode rond 16 september 2013. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een verklaring van een Tunesische arts overgelegd en informatie van onder meer GGZ Rivierduinen van 11 april 2016.

3.2.

Appellant heeft tegen aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat uit informatie van Van Marle, Roos en R.M.W. Basten, arbeidsconsulent bij Het Dok, blijkt dat meer beperkingen voor hem golden dan waarvan de Uwv-beoordelaars zijn uitgegaan. De rechtbank heeft ten onrechte geen overweging gewijd aan de inbreng van Basten. Het oordeel van de rechtbank om niet tot benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige over te gaan, impliceert dat het Uwv een juiste beoordeling heeft uitgevoerd. Hiertoe heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het Uwv de diverse gegevens van behandelaars heeft betrokken bij zijn oordeelsvorming en op die grond heeft mogen vasthouden aan zijn eerder ingenomen standpunt. Appellant heeft de Raad verzocht het verzuim van de rechtbank goed te maken door een psychiater als deskundige in te schakelen.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft op goede gronden geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de functionele mogelijkheden van appellant niet correct zijn vastgesteld. Daarbij is terecht betrokken dat de verklaring van Holscher ziet op de periode rond 27 mei 2015 en dat Holscher te kennen heeft gegeven dat hij geen uitspraken kan doen over de toestand van appellant in september 2013. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische informatie verstrekt, waaruit zou kunnen volgen dat zijn beperkingen op 16 september 2013 zijn onderschat. De stukken van GGZ Rivierduinen en de arts uit Tunesië waren al in bezwaar bekend. Daaruit valt af te leiden dat appellant begin 2012 is gezien door GGZ Rivierduinen voor een indicatiestelling na een doorverwijzing wegens depressieve stemmingsklachten en suïcidale uitspraken. Als beschrijvende diagnose is vermeld dat er depressieve stemmingsklachten zijn met suïcidale gedachten en agressie, in samenhang met pijnklachten na een auto-ongeluk en psychosociale problemen in verband met ontslag (krenking). In DSM‑termen zijn een PTSS, cervicale en lumbale discusaandoening, werkproblemen en een GAF‑score van 80 genoemd. Het is vervolgens niet tot nauwelijks tot een behandeling door deze GGZ‑instelling gekomen. De arts uit Tunesië heeft verklaard dat appellant onder meer een psychoactieve depressie vertoont en als gevolg van het verkeersongeval in 2010 ongeschikt is voor hevige inspanningen. De informatie van deze arts is summier en bevat onvoldoende medische onderbouwing voor de door appellant gestelde klachten en brengt niet mee dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat. De stelling dat hij op grond van zijn psychische toestandsbeeld zwaarder beperkt moet worden geacht, heeft appellant niet medisch onderbouwd.

4.2.

Gelet op het oordeel dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, is er geen aanleiding voor het oordeel van de voor hem geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn.

Aangevallen uitspraak 2

4.3.

De rechtbank heeft in wat door appellant in beroep naar voren is gebracht terecht geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant op 6 augustus 2014. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de voor appellant met ingang van deze datum in geding geselecteerde functies geschikt zijn en dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor appellant per 6 augustus 2014 geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan. Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, doet daaraan niet af, gelet op het volgende.

4.4.

Holscher heeft appellant voor het eerst op 20 mei 2015 gezien. Psychiater Van Marle heeft in dit kader in zijn brief van 12 april 2016 te kennen gegeven dat appellant in augustus 2014 is doorverwezen in verband met agressieproblematiek. Bij psychiatrisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen gezien voor een psychose, wel voor agitatie. Er zijn medicijnen voorgeschreven om zijn impulsiviteit te verminderen. Geconcludeerd is dat al langere tijd een geagiteerd depressief toestandsbeeld met randpsychotische overschrijdingen bestaat, dat de laatste tijd fors in ernst is toegenomen. Bij een hernieuwde intake op 3 maart 2016 is geconcludeerd dat appellant periodieke stemmingsschommelingen heeft, die behoren bij een unipolaire stoornis met depressieve episodes. Acceptatie van zijn lichamelijke beperkingen speelt een grote rol bij de prikkelbaarheid en opvliegendheid van appellant. De behandeling is gericht op acceptatie van die beperkingen. In een brief van 1 februari 2018 heeft Van Marle dit herhaald en gemeld dat als beperkingen per 6 augustus 2014 bij de intake worden beschreven: motorische onrust, psychomotorische onrust tot agitatie en concentratieproblemen. Appellant was moeilijk te structureren en moest worden afgeremd. Er was sprake van depressieve klachten bij een dreigende, geladen man, die met spoed was verwezen in verband met zijn dreigend, negatief en prikkelbaar gedrag. Hij werd op de wachtlijst gezet voor agressieregulatietherapie. Hij bleek niet groepsgeschikt, omdat hij snel agressief reageerde als hij vond dat iemand hem “verkeerd” aankeek. Van Marle heeft gemeld dat een reactief beeld is gezien, gebaseerd op een kwetsbare karakterstructuur met betrekking tot autonomie, doorzettingsvermogen en ambitie bij een Tunesische man die klachten en beperkingen heeft overgehouden aan een auto‑ongeluk in 2010. Forensisch psychiatrisch ligt het accent op de verwerkingsproblematiek van appellant, gekenmerkt door weerstand, prikkelbaarheid, agressiviteit jegens anderen, omdat hij zich niet meer vrij voelt in zijn beweging door zijn rugproblemen.

4.5.

In deze gegevens heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de FML van 19 april 2016 onvoldoende beperkingen bevat. Door het Uwv is navolgbaar gemotiveerd dat op 6 augustus 2014 geen sprake was van het ontbreken van benutbare mogelijkheden. Daarbij is betrokken dat appellant binnen het eigen gezin nog redelijk kon functioneren, maar dat zodra onbekende, hem niet gunstig gezinde, personen zijn pad kruisen er heftige conflictsituaties kunnen ontstaan. In de FML zijn wegens de depressieve episode en rekening houdend met de kwetsbaarheid van appellant beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren, terwijl ook is aangenomen dat de werkomgeving van appellant stabiel moet zijn, met mensen die hem kennen in de directe omgeving. Inzichtelijk is voorts gemotiveerd dat er geen noodzaak is voor een urenbeperking.

4.6.

Basten heeft gesteld dat het voor appellant in 2014 wegens agressieproblemen alles behalve verstandig was om te gaan werken, terwijl het volgens Roos voor het slagen van de behandeling en voor het herstel van appellant van belang was dat hij in relatieve rust, zonder druk van buitenaf kon oefenen met nieuw gedrag en het herstellen van vertrouwen in zichzelf en anderen. De nog onvaardige wijze waarop appellant omgaat met toegenomen stressoren van buitenaf maken volgens Roos dat hij nog immer hinder ondervindt van oplopende spanningen, reden waarom het is aan te bevelen om een eventuele terugkeer naar de werkvloer in samenspraak met appellant en bij voorkeur in een arbeidstherapeutisch traject te laten gebeuren, om zodoende het oppakken van zijn werkzaamheden en terugkeer te stimuleren. Eventuele terugkeer zou voorzichtig moeten worden opgebouwd, omdat een terugval in de arbeidssituatie zijn (zelf)vertrouwen daarin verder zal doen afnemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover terecht opgemerkt dat voor deze inschatting geen basis is te vinden in de op grond van de Wet WIA en daarop gebaseerde regelgeving te hanteren criteria, waarbij het uitgangspunt is dat slechts beperkingen die het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebrek een rol kunnen spelen bij de vaststelling van (gedeeltelijke) arbeids(on)geschiktheid.

Conclusie

4.7.

Wat in 4.3 tot en met 4.6 is overwogen brengt mee dat geen twijfel is ontstaan over de juistheid van de beoordelingen door het Uwv. Er is daarom geen aanleiding een deskundige te benoemen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk‑Prins als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) J.R. Trox

KS