Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2565

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
17/702 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgkantoor heeft hoger beroep beperkt tot wijze waarop de rechtbank in aangevallen uitspraak zelf in de zaak heeft voorzien. Ter zitting heeft de curator van betrokkene niet weersproken dat betrokkene over de eerste helft van 2014 niet meer dan € 20.451,- heeft betaald aan [naam zorgverlener]. Zorgkantoor heeft zich daarom met juistheid op standpunt gesteld dat betrokkene in de eerste helft van 2014 niet meer dan € 20.451,- uit zijn pgb aan AWBZ-zorg heeft besteed. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 702 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
8 december 2016, 16/98 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 8 augustus 2018

PROCESVERLOOP

Het Zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn curator [A].

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 aan betrokkene een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 51.312,05 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Betrokkene heeft op een verantwoordingsformulier van 7 augustus 2014 opgegeven dat hij over de eerste helft van 2014 voor een bedrag van € 23.864,- zorg heeft ingekocht bij [naam zorgverlener]. Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het Zorgkantoor dit bedrag afgekeurd op de grond dat de door [naam zorgverlener] verleende zorg geen AWBZ-zorg is.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 24 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het besluit van 11 februari 2015 herroepen. Volgens het Zorgkantoor is aannemelijk dat betrokkene over de eerste helft van 2014 een bedrag van € 14.763,- heeft besteed aan door [naam zorgverlener] verleende persoonlijke verzorging, verpleging en groepsbegeleiding. Het resterende deel van de verleende zorg kwalificeert echter niet als individuele begeleiding, zodat een bedrag van € 9.101,- niet wordt goedgekeurd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat het Zorgkantoor zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [naam zorgverlener] verleende resterende zorg geen begeleiding is in de zin van de AWBZ. De rechtbank heeft daarom het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de door [naam zorgverlener] aan betrokkene verleende zorg over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 ten bedrage van € 23.864,- als aan AWBZ-zorg bestede kosten wordt goedgekeurd.

3. Het Zorgkantoor heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zelf voorziend een bedrag van € 23.864,- heeft goedgekeurd. Dit had namelijk gelet op de beschikbare facturen en bankafschriften een bedrag van € 20.451,- moeten zijn.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het door het Zorgkantoor ingestelde hoger beroep beperkt zich tot de wijze waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak zelf in de zaak heeft voorzien.

4.2.

Ter zitting heeft de curator van betrokkene niet weersproken dat betrokkene over de eerste helft van 2014 niet meer dan € 20.451,- heeft betaald aan [naam zorgverlener]. Het Zorgkantoor heeft zich daarom met juistheid op het standpunt gesteld dat betrokkene in de eerste helft van 2014 niet meer dan € 20.451,- uit zijn pgb aan AWBZ-zorg heeft besteed. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat betrokkene over de eerste helft van 2014 een bedrag van € 20.451,- heeft gebruikt voor betaling van AWBZ-zorg.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is in hoger beroep niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- bepaalt dat betrokkene over de eerste helft van 2014 een bedrag van € 20.451,- heeft
gebruikt voor betaling van AWBZ-zorg en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats
treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 24 november 2015.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) G.D. Alting Siberg

OS